Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afzonderlijke afdeeling, de z.g. bacteriën genoemd. Vele dezer wezentjes van microscopische kleinheid zijn, zooals thans vooral gebleken is, vaak de naaste oorzaken van velerlei ziekten, zooals typhus, cholera en tering, een ontdekking, waardoor vooral het ontstaan van „besmetting" duidelijk is geworden.

Na de protozoën volgen de holtedieren, waartoe ook de poliepen en

de sponsen behooren.

Als derde hoofdgroep onderscheidt men de stekelhuidtgen, waartoe

o. a. de zeesterren en de zeeëgel behooren.

Deze eerste drie groepen vormen saam wat men gewoonlijk de

„lagere dieren" noemt.

Met de vierde groep, die der weekdieren, staan wij reeds voor hoogere vormen. De drie voornaamste klassen in deze groep worden gevormd door de koppootigen, waartoe de inktvisschen; de buikpootigen, waartoe de slakken, en de plaatkieuwigen, waartoe de mosselen en oesters behooren.

De vijfde groep in de dierenwereld wordt gevormd door de wormen, die dan weer in een vijftal klassen — borstel wormen, bloedzuigers, spoelwormen, zuigwormen en lintwormen — nader worden ingedeeld.

Dan volgt, als zesde groep, die der gelede dieren, met haar vier klassen insecten, waarbij men weer verschillende „orden" onderscheidt, verder duizendpooten, spinnen en schaaldieren.

Eindelijk staan wij met de gewervelde dieren voor de zevende of hoogste groep van de dierenwereld. Gelijk bekend is, onderscheidt men hier dan weer vier of vijf klassen, en wel: visschen; tweeslachtige dieren of amphibieën, door sommigen met de kruipende dieren tot één klasse vereenigd; verder de vogels, en ten slotte de zoogdieren, met

hun verschillende orden. .

Deze indeeling, die behoudens hier en daar enkele afwijkingen, thans vrij algemeen gevolgd wordt, verschilt in zooverre van die, welke Linnaeus, gestorven in 1778 te Upsala, gaf, dat deze groote natuuronderzoeker slechts onderscheidde tusschen zoogdieren, vogels, kruipende dieren, insecten en wormen.

Vooral tegenover de pantheïstische, of juister misschien nog, monistische wereldbeschouwing, die alle grenzen in de natuur uitwischt, komt het er op aan, vast te houden aan het verschil tusschen plant en dier.

Evenals er, gelijk wij bij onze beschouwing van 's Heeren ordinantiën voor de plantenwereld aanwezen, een grens is tusschen de an-organische en organische wereld, of m. a. w. tusschen delfstoffen en levende wezens, zoo ook moet er een grens zijn tusschen de levende wezens onderling, tusschen planten en dieren. _

Moet er zulk een grens zijn, want God zelf heeft het ons in Zijn Woord geopenbaard, en de Christelijke natuurbeschouwing heeft daar

dus mee te rekenen.

Bij onze beschouwing van het ontstaan der planten- en dierenwereld

Sluiten