Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn de gegevens, die de Openbaring hier biedt, uitvoerig besproken en kunnen wij dan ook hier volstaan met te verwijzen naar het in Genesis i telkens, bij het verhaal der schepping van planten en dieren, herhaalde: naar zijnen aard.

Nu is het echter volkomen waar en dient daarom dan ook onomwonden erkend, dat het bij de „lagere dieren", welke vooral door de nieuwe natuurstudie tot voorwerp van onderzoek zijn gemaakt, vaak zeer moeilijk voor ons is uit te maken, of wij met een dier dan wel met een plant te doen hebben. De reeds meermalen door ons genoemde hoogleeraar Haeckel, van Jena, een ijverig Darwinist, meende daarom dan ook op zijn wijze, en zeker niet zonder invloed van zijn monistische wereldbeschouwing, den knoop te moeten doorhakken, door dergelijke wezens zoowel uit het dieren- als uit het plantenrijk te verwijderen, om ze dan in een afzonderlijk rijk, het z.g. „Protisten-rijk" een plaats te geven. De Protista, het woord komt van protos, de „eerste", zijn volgens Haeckel de „Urwesen", en hij rekent daartoe b. v. de moneren, de bacillen, de infusoriën.

Deze „eerste wezens" zouden dan alzoo noch planten, noch dieren zijn.

Het „Protisten-rijk" van Haeckel, dat de moeilijkheid allerminst oplost, heeft echter, ook bij vele natuurkundigen van naam, geen genade kunnen vinden.

Het wil ons dan ook voorkomen, dat men twee vragen wèl uit elkaar moet houden. De eene luidt aldus: Bestaat er een wezenlijk onderscheid tusschen planten en dieren ? De andere: Is voor ons altijd en in ieder geval het onderscheid tusschen dier en plant duidelijk?

Het antwoord op de eerste moet voor ons, Christenen, op grond van de Openbaring, bevestigend zijn; dat op de tweede, op grond van de ervaring, ontkennend. Afgezien nog van het gezag, dat de Openbaring voor ons heeft, zou het echter een valsche redeneering zijn, uit de ontkenning van de laatste tot die van de eerste vraag te besluiten. Immers, al kunnen ivij het onderscheid niet altijd zien, daaruit volgt nog volstrekt niet, dat het ook niet bestaat.

De vaak groote moeilijkheid om bij de laagst ontwikkelde dieren het eigenaardig dierlijke in tegenstelling met de planten aan te wijzen, mag daarom allerminst aan het bestaan van een grens tusschen planten en dieren doen twijfelen.

Hoe hooger men in de dierenwereld dan ook opstijgt, des te duidelijker komt het verschil uit.

Zeker, het „vegetatieve" leven vindt men ook in de dierenwereld terug. Ook bij de dieren vindt men, evenals bij de planten, groei, voeding en voortplanting.

Nader bezien, openbaart zich echter tusschen deze drie levensverrichtingen toch ook weer verschil.

Op den groei komen wij straks in verband met de cel nader terug. Doch hier zij gewezen op het verschil in voeding en voortplanting, tusschen plant en dier.

Terwijl toch, zooals wij vroeger zagen, het voedsel van de plant uit

Sluiten