Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vlochten; benevens het leven hebt Gij weldadigheid aan mij gedaan, en Uw opzicht heeft mijnen geest bewaard." (Job 10 : 9—12.) _

En naast deze twee plaatsen is dan nog merkwaardig, wat wij lezen in Psalm 139:

„Want Gij bezit mijne nieren; Gij hebt mij m mijner moeders buik bedekt. Ik loof U, omdat ik op eene heel vreeselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt ben; wonderlijk zijn Uwe werken! ook weet het mijne ziel zeer wel. Mijn gebeente was voor U niet verholen, als ik in het verborgene gemaakt ben, en als een borduursel gewrocht ben, in de nederste deelen der aarde. Uwe oogen hebben mijnen ongevormden klomp gezien; en al deze dingen waren in Uw boek geschreven, de dagen als zij geformeerd zouden worden, toen nog geen van die was. Daarom, hoe kostelijk zijn mij, o God, Uwe gedachten! hoe machtig vele zijn hare sommen!" (vs. 13—17.)

Het is hier nog niet de plaats om van de vaste ordinantie en het wonderwerk onzes Gods in de ontwikkeling zelf van het kind in den moederschoot te spreken. Wij hebben dit drietal teksten dan ook alleen aangehaald, om te doen zien, hoe ook de Schrift ons voorgaat in stille bewondering voor het werken Gods in, wat men wel eens noemt: de geheime werkplaatsen der natuur; voorgaat in stille bewondering voor de vastheid van ordinantie ook in dat fijne, dat subtiele natuurgebeuren, dat in het verborgene schuilt en vooral bij de levende natuur, bij de organische wereld, d. w. z. bij mensch en dier en plant, zoo merkwaardig is.

Wanneer toch de dichter van Psalm 139 tot zijn God zegt: „Wonderlijk zijn Uwe werken," dan heeft dat „wonderlijk" of „wonderbaar" hier den zin van: afgezonderd, uitgezocht, uitgelezen, en dus buitengewoon, en daardoor tevens van wat, omdat het zoo buitengewoon is, moeilijk te begrijpen, tot op zekere hoogte althans, raadselachtig blijft.

En blijkens het verband heeft de dichter hier kennelijk een bepaald werk van zijn God op het oog. Vooraf gaat toch in vs. 14; loof U, omdat ik op eene heel vreeselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt ben."

Naar analogie van wat hem door waarneming bekend is omtrent de vorming van de vrucht in den moederschoot, denkt hij er aan, hoe hij dus zelf eenmaal gevormd is. Hij noemt dat „op eene heel vreeselijke wijze", d. w. z. op een verbazende wijze, want de overdenking van dit werk Gods wekt op tot vreeze voor Hem, die tot zooveel in staat is. Het wekt eerbied en ontzag. En op zulk een „heel vreeselijke wijze" weet nu ook hij zich „wonderbaar gemaakt of gevormd". „Ook weet het mijne ziel zeer wel," m. a. w. ik erken dit van ganscher harte, zegt de dichter.

Wij laten thans, gelijk gezegd is, het zoo verbazend wonderbaar gevormd worden van een kind — een werk Gods dat, hoe meer men er van weet, tot des te inniger lof aan God stemt — hier rusten, om ons te bepalen tot het niet minder verbazend wonderbare in al dat subtiele, al dat fijne, dat de wereld van het kleine ons op het gebied van het organische leven, bepaaldelijk van de dierenwereld, te aanschouwen geeft.

Sluiten