Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

twee eeuwen in heel de beschaafde wereld bekend is, terwijl .men naar den hunnen moet zoeken, zij het dan ook wat laat, opdat hij zich ongestoord aan zijn onderzoekingen zou kunnen wijden, met behoud van zijn jaarwedde, eervol uit hun dienst hebben ontslagen. \ an Leeuwenhoek was toen zeven en zestig, doch lange jaren hij werd één en negentig — heeft hij zich toen nog als een welgestelde kleine burger met zijn zoo vruchtbaar microscopisch onderzoek kunnen bezighouden.

In die wereld dan van het kleine, van het subtiele, bij welker aanschouwing een Christen nog altijd met Israëls psalmist voor zijn God moet belijden: „Wonderlijk zijn Uwe werken," en waarvan wij thans iets willen mededeelen, behooren allereerst wel vermeld wat men thans de bacteriën noemt.

Het woord komt van het Grieksche „baktêrion", een verkleinwoord van „baktron", staf. Men zou het dus kunnen vertalen met „staafjes". Zoo ook is het andere woord, dat men hier ook wel gebruikt: bacillen, een verkleinwoord van het Latijnsche „baculum", een stok of staf.

Spraken wij in een vorig hoofdstuk over de moeilijkheid, om bij de lagere organismen of levende wezens het onderscheid tusschen plant en dier vast te stellen, dit geldt inzonderheid van de bacteriën.

Vroeger tot de dieren, worden zij thans veelal tot de planten gerekend. Onzen zooeven genoemden Anthony van Leeuwenhoek, den gelukkigen ontdekker in de wereld van het onzichtbaar kleine, komt ook de eere toe, het eerst de aandacht te hebben gevestigd op deze wezentjes.

Leeuwenhoek dan ontdekte voor het eerst, door middel van zijn kunstmatig geslepen lenzen, in den mond van den mensch zeer kleine, nietige organismen, die hij wegens hun beweging als annnalcula of „diertjes beschreef. In een zijner schriften: „Arcana naturae detecta," d. w. z. „ontdekte geheimenissen der natuur", geeft hij er een beschrijving en afbeelding van. Wij leeren ze door hem reeds kennen deels als rond, deels als korte of lange staafjes, deels als gebogen vormen. Dit bericht van Leeuwenhoek uit het jaar 1683 is de eerste vermelding, op grond van nauwkeurige waarneming, omtrent de bacteriën.

Intusschen moest nog een eeuw verloopen, zonder dat het menschelijk weten, op het stuk dezer kleine organismen, veel verder kwam dan waar Van Leeuwenhoek het gebracht had. Het was toch de Deensche geleerde Otto Müller, die eerst op het einde der i8de eeuw ze nader onderzocht, een plaats gaf onder de infusiediertjes, en er zelfs een indeeling van gaf. Nog later, omstreeks 1838, toen Ehrenberg nieuwe soorten had ontdekt, werden de bacteriën — men noemde ze in die dagen veelal „splijtzwammen", omdat men waarnam hoe zij zich zelf deelden of spleten tot nieuwe individuen een voorwerp van voortdurend onderzoek der natuurkundigen.

Daarna begonnen ook de geneeskundigen er hun aandacht aan te wijden, en sedert Robert Koch omstreeks 1876 het ontstaan van het zoo gevreesde „miltvuur" bij onze huisdieren, door bacteriën, proef-

Sluiten