Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

s ie ten, en dat wel, al naar zij op rottende of levende organismen voorkomen, in later tijd geeft men aan een andere indeeling de voorkeur. Men heeft toch ontdekt, dat er i°. bacteriën zijn, die zonder organisch voedsel leven, en slechts in de vrije lucht voorkomen; 2°. dat er zijn, die èn in de vrije lucht èn op organische, zoowel rottende als levende stoffen hun voedsel vinden; en 30. zulke, die nooit in de vrije lucht, maar altijd in andere levende wezens voorkomen.

De werking der bacteriën, ten slotte, bepaalt zich, naar men tot dusver vond, tot drieërlei.

In de eerste plaats dienen zij om stikstof uit de atmosfeer vast te houden, en met behulp van koolstof, waterstof en zuurstof tot vorming van eiwit bij te dragen. Een voorbeeld hiervan vindt men bij onze erwten en boonen, aan welker worteltjes zeer kleine bolletjes voorkomen. In deze bolletjes vindt men opgehoopt een eigenaardig soort bacteriën, die het vermogen bezitten de stikstof aan de lucht te onttrekken, en op die wijze een middel zijn om den grond aan stikstof rijker te maken. Ook later zijn deze worteltjes belangrijk uit een oogpunt van bemesting, omdat het gewenscht is, een bodem te hebben, die rijk is aan stikstof.

Verder wordt door sommige bacteriën uit bepaalde voedingsmiddelen, bij eene, voor deze bacteriën, gunstige temperatuur, koolzuur vrijgesteld.

Eindelijk zijn ze, en dit geldt bepaald van de pathogene bacteriën, naar wij reeds mededeelden, onder zekere omstandigheden de naaste oorzaken van verschillende ziekten bij dier en mensch. Van sommige ongesteldheden, b. v. verettering, bloedvergiftiging bij verwonding; miltvuur en pest; influenza, diphtheritis, tuberculose, typhus en cholera; venerische of schandelijke ziekten, waaronder ook de vreeselijke syphilis, zijn ze, met meerdere of mindere zekerheid, reeds bekend. Van andere daarentegen, b. v. hondsdolheid, pokken bij koeien en menschen, en ook kanker, wordt de bacterie nog gezocht.

Waar de ontdekking der pathogene bacteriën voeren kan tot beteugeling der krankheid, tot vermindering van menschelijk lijden, wordt de vraag der onverschilligheid: wat is er aan gelegen of wij het weten? in haar onnoozelheid eerst recht duidelijk.

Maar evenzeer zal de Christen, voor wien immers de levende en almachtige God ook de Schepper van deze wereld van het kleine is, en die immers gelooft, dat ook deze nietige wezentjes „alzoo in Zijne hand zijn, dat zij tegen Zijnen wil zich noch roeren, noch bewegen kunnen," en dat Hij ook in hen met Zijn alomtegenwoordige kracht de Werker is, met de woorden van Israëls psalmist, ook hier spreken van een „wonderlijk zijn Uwe werken". En ook, als hij ziet op de ontzettende krachten des verderfs die hier schuilen, spreken van „op eene heel vreeselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt".

Ten slotte zij, waar wij ons hier met het wonderlijke werken Gods in de wereld van het kleine en het verborgene bezighouden en reeds in een vorig hoofdstuk gesproken is over de cel, nog iets medegedeeld omtrent de weefsels.

Sluiten