Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hebben wij gezien, dat alleen de zeer laag ontwikkelde organismen, zooals bacteriën, moneren en infusiediertjes, uit één cel bestaan, die dan voor al de levensverrichtingen moet zorgen, — de meeste dieren zijn daarentegen vecl-cellig, hoewel ook zij, evenals de mensch, aanvankelijk uit één cel, de et-cel, hebben bestaan. Door voortdurende splitsing der cellen wordt dan uit deze eéne ei-cel het geheele meer-cellige wezen opgebouwd. De cellen nu, waaruit sommige meer-cellige wezens zijn opgebouwd, blijven onderling gelijk. Ieder voor zich ademt, voedt zich, plant zich voort en beweegt zich. Bij wezens van hooger organisatie is dit wel aanvankelijk evenzoo, doch later ontstaat tusschen de cellen, wat men noemt „verdeeling van arbeid", en daardoor worden zij ook in vorm onderling verschillend.

Een vereeniging nu van gelijksoortige cellen, die in bouw en functie of levensverrichting met elkaar overeenkomen, noemt men een weefsel. Zoo worden bepaalde cellen, b. v. de z.g. ademhalingscellen of roode bloed-cellen, vereenigd om de functie van de ademhaling te verrichten, iets wat zeker alle levende cellen doen, maar welke functie zooals wij later zullen zien — juist zij voor de andere cellen van het organisme mogelijk maken.

Andere cellen vormen saam het epitlielium, waaruit zoowel de opperhuid als de inwendige weefsels zijn gevormd. Nog andere vereenigen zich tot bindweefsels, been- en kraakbeenweefsels. Verder onderscheidt men cellen die zich tot spierweefsels vereenigen, en die vooral de functie der beweging verrichten, en eindelijk die, welke zich tot zenuwweefsels verbinden en voor de functie der gewaarwording zorgen.

Bedenkt men, hoe uit de ééne ei-cel deze verschillende weefsels voor de onderscheiden functies van het organisme zijn gevormd door Hem, die met Zijn alomtegenwoordigheid ook hierin van oogenblik ^tot oogenblik inwerkt, dan voegt ons ook hier het: Wonderlijk zijn Uwe werken, tegenover onzen God op de lippen.

XIX.

DE LEVENSVERRICHTINGEN DER DIEREN.

Maar nu heeft God de leden gezet, een iegelijk van dezelve in het lichaam, gelijk Hij gewild heeft.

I CORINTHE 12 : l8.

Door verschillende schrijvers, zoowel in de oudheid als in den nieuweren tijd, is gewezen op de eigenaardige verhouding, zoowel van de leden onderling, als van alle tot het geheel, in het menschelijk lichaam, 't Is wat men noemt de organisatie, letterlijk de bewerktuiging, er van.

Men wees er dan op, hoe tusschen de verschillende leden een

Sluiten