Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn, is het hart niet anders dan een langgerekt samentrekkend bloedvat. Bij alle „gevvervelden" daarentegen is het een krachtige spierzak die minstens uit twee holten bestaat, kamer en boezem, welke beide met sluitbare kleppen voorzien zijn, die den bloedsomloop regelen, en vooral het terugvloeien van het bloed uit de kamer in

den boezem verhinderen.

Het hart werkt als een pomp, die voortdurend bloed in zich opneemt en weer loslaat. Geheel onafhankelijk van den wil, spannen of ontspannen zich telkens de spieren van het hart, welke rhythmische beweging de systole of samentrekking en de diastole of verwijding

van het hart ten gevolge heeft.

Bij de systole — van het Grieksche „sy-stellem , bijeentrekken, — wordt het bloed, dat zich in het hart bevindt, er uitgeperst; bij de diastole — van het Grieksche „dia-stellein", deelen, openen, — stroomt het bloed h'et hart binnen.

Ten slotte dient hier nog gesproken over de functie der uitscheiding

of excretie en haar orgaan.

Terwijl de vaste stofwisselingsproducten door het darmkanaal worden verwijderd; de ademhalingswerktuigen het koolzuur naar buiten afgeven ; de sweetkliertjes der huid het water met verschillende daarin opgeloste vaste stoffen uit het bloed afzonderen, heeft ook excretie of uitscheiding uit het bloed van bepaalde vloeibare, stikstofhoudende stoffen plaats door middel van een afzonderlijk orgaan: de nieren. Dit orgaan wordt echter alleen weer bij de gewervelde dieren gevonden, en ontbreekt bij de overige. Zoo vindt men b. v. bij sommige wormen in ieder „segment" of geleding een paar fijn vertakte kanaaltjes, welke in een excretie-opening uitmonden, de z.g. segmentaal-organen.

In de nieren — een paar dicht ineengedrongen „klieren" — wordt op het bloed een drukking geoefend, zoodat daar veel water met opgeloste bestanddeelen door de wanden der bloedvaten dringt en in kleine buisjes wordt opgevangen. Deze buisjes vereenigen zich en loopen bij de meeste gewervelde dieren uit in een blaas, vanwaar de urine op verschillende wijze, nu eens, gelijk bij de vogels en de vogelbekdieren, door middel van den endeldarm (cloaca), dan door middel van een afzonderlijk apparaat, zooals bij de zoogdieren, naar buiten wordt gevoerd.

Thans rest ons nog bij de organen voor de vegetatieve levensverrichtingen der dieren, van het voortplantingsorgaan te spreken.

Bij de lagere dieren ontbreekt ook voor deze levensfunctie, waardoor de soort wordt in stand gehouden, een afzonderlijk orgaan.

Bij zeer lage organismen geschiedt de voortplanting, evenals bij de cel, door deeling. Bij wat hoogere wordt slechts een klein deel van het individu afgescheiden — de z.g. knopvorming —, waaruit zich dan het nieuwe ontwikkelt. Bij nog andere vormen zich inwendig knoppen, die zich later van het moederdier afscheiden.

Sluiten