Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in ons slootwater aantreft en die uit een weeke, meer of min taaie stof, het zoogenaamde protoplasma, bestaan.

Wij zullen daarom een anderen weg dienen in te slaan en het gemeenschappelijke, dat, volgens de Christelijke wereldbeschouwing, zoowel aan een menschenziel als aan die van de hoogere en lagere dieren gemeen is, trachten te vinden. Mocht ons dit gelukken, dan zal weer moeten onderzocht óf en waarin de „ziel" van de hoogere en lagere dieren verschilt. Over het eigenaardige van 'n menschenziel kan echter nog niet in dit hoofdstuk, waarin het uitsluitend om de dierenziel te doen is, maar eerst later wordt gehandeld.

Aan dit onderzoek dient echter de beantwoording van nog twee andere vragen vooraf te gaan.

Allereerst: hoe kwam de gedachte aan 'n ziel bij de menschen op? En in de tweede plaats: of er een dierenziel is, m. a. w. óf de dieren een ziel hebben.

Geheel afgezien ditmaal nog van de vraag óf en in welken zin de idee van „ziel" den mensch aangeboren is, en zoo ja, welken invloed daarop dan bij wat leeft onder de bijzondere Openbaring — bij Israël en de Christenheid dus — het Woord van God heeft geoefend; en ook, van wat nog over was in de gevallen menschheid van de paradijstraditie, zullen wij ditmaal alleen nagaan, hoe langs den weg van waarneming en nadenken die gedachte, altijd en overal, vermoedelijk is opgekomen.

De mensch neemt aan zijn eigen lichaam waar groei en bloedsbeweging, warmte en ademhaling. Dit nu biedt hem, vooral waar hij staat tegenover het kille lijk, waarin dat alles stilstaat, de voorstelling van het leven. Door een eigenaardige inrichting nu van zijn geest — waarover later — moet hij zich voor al die verschijnselen een oorzaak denken, een beginsel waaruit zij ontstaan. Dit is hem het blijvende onder en in al het wisselend gebeuren, en dit beginsel denkt hij zich in het inwendige van zijn lichaam. Het wordt voor zijn bewustzijn zijn levensbeginsel. Hoe hiermede de voorstelling van een ik samenhangt, moet thans nog buiten bespreking blijven. Ook is het thans voor ons van minder belang, hoe de dichtende verbeelding, gelijk uit de dichtwerken der oudheid blijkt, zich dit levensbeginsel gaat voorstellen als een schaduwbeeld van het lichaam, als zijn schim, als een inwendig aetherisch lichaam, in het uitwendige stoflichaam overal tegenwoordig. Daarentegen is het van veel grooter belang, te weten, dat altijd en overal het woord, waarmee dit gedachte, dit niet zichtbare en tastbare levens beginsel, evenals al het onzichtbare, wordt aangeduid door een woord, dat oorspronkelijk iets beteekent wat wèl zinnelijk waarneembaar is. Vooral het woord adem speelt hierbij een rol, wijl de ademhaling immers een voornaam kenmerk van het leven is. En als de gedachte aan een levensbeginsel is opgekomen, wordt onder alle volkeren, en dat niet door een soort overeenkomst of afspraak, maar als vanzelf, met het woord voor adem dit beginsel aangeduid. Zoo is het oud-Indische woord athman, het Grieksche

Sluiten