Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

psyche, het Latijnsche anima en het Hebreeuwsche tiephesch, in al die talen het ééne woord voor wat wij èn adem èn ziel noemen. Ook het Gothische saiwala, waarvan ons „ziel" zou komen, moet, althans volgens sommige geleerden, oorspronkelijk op wat leeft, op wat ademt, zien.

Moge verder waarnemen en nadenken de ziels-gedachte al verrijken; de mensch zich zijn ziel denken als de draagster, de oorzaak voor zijn gewaarworden en zijn willekeurige bewegingen, voor z'n zich bewust zijn van wat in hem en om hem gebeurt — onderwerpen waarop wij straks bij de bespreking van 's Heeren ordinantiën voor de menschenziel terugkomen — dit alles is slechts een toevoegen aan, een wijziging van de grondvoorstelling van de ziel als het levensbeginsel.

Wij laten de menschelijke ziel nu ditmaal rusten, om er op te wijzen, hoe de geschiedenis ons leert, dat de menschen deze zielsgedachte hebben toegepast op schier alle natuurdingen. Zij hebben niet alleen hun medemenschen, maar ook zon en maan en sterren, bergen en rivieren, tot steenen toe, als bezield gedacht. Zij schreven een ziel toe ook aan de planten en ook aan de dieren, en altijd \\ as dan die ~>ie het in deze natuurvoorwerpen werkend levensbeginsel.

Dit brengt ons tot de tweede vraag, öf er een dierenziel is, m. a. w.

of het dier een ziel heeft. ,

Tot in de i6de eeuw na Chr. werd zij door alle denkers bevestigend beantwoord. Het was toen voor het eerst, dat door Gomez Pereira, een Spaanschen arts, het bestaan van een dierenziel ontkend wer . Hij toch moet hebben geleerd, dat de dieren machines waren, en verwierp de gewaarwordende ziel, die men hun gewoonlijk toekende. De Fransche wijsgeer Descartes, die, na twintig jaar ia ons land te hebben gewoond, in 1650 te Stokholm stierf, deed, zonder dat men daarom nog behoeft te onderstellen, wat wel eens gedaan is, dat hij het van Pereira zou hebben overgenomen, hetzelfde. De dieren, zoo beweert ook Descartes, zijn bloot machines, onbezielde lichamen. Zij zijn als een klok, die, wanneer zij zeven slaat, er geen weet van heeft, zich niet bedroeft dat het al zoo laat is, en evenmin begeert straks acht te mogen slaan. Evenals die klok, begeert ook het dier mets, voelt het niet, noch stelt het iets voor. Met dit al kan toch ook Descartes niet ontkennen, dat er verschil is tusschen een dier dat leeft, en een dat dood is. Hij ziet dit verschil in het al of niet voorhanden zijn van beweging. Maar deze beweging is hem, gelijk bij de klok, uitsluitend resultaat van druk en stoot; bij de klok gewerkt door middel van veer en rad, bij het dier door middel van zenuwen en spieren. Breekt er wat in de klok, dan is er ook geen beweging meer; breekt er wat in het dierenlichaam, dan is het dood. Het levende dier is dus, volgens Descartes, niet anders dan tot lichaam georganiseerde stof, waarin een mechanische kracht werkt.

Deze verklaring van het dierenleven moge al eenvoudig wezen, moeilijk kan worden ontkend, dat zij toch te veel van het zoo rijke leven der dieren in het duister laat om tevens het zegel der waarheid

Sluiten