Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te dragen. Al heeft dan ook de meening van den Franschen wijsgeer een tijdlang bij velen ingang gevonden, in de 18de eeuw was zij weer verdrongen, en in de i9de heeft, zelfs onder de „Darwinisten", het bestaan eener dierenziel zijn warme verdedigers gevonden.

Wij hebben straks gezien, hoe de meening, dat ook de dieren een ziel hebben, onder de menschen is ontstaan, doordat zij, wat zij in zich zelf langs den weg van waarneming en denken hadden gevonden, toekenden aan de natuurdingen, en dus ook aan de dieren. De vraag, of zij in betrekking tot zich zelf waar, d. w. z. zoo, dat hun denken met de werkelijkheid overeenstemde, hebben gedacht, m. a. w. het bestaan van de menschenziel, zal door geen Christen worden ontkend, en Descartes heeft dit dan ook niet gedaan. Deze vraag kan hier bovendien, waar wij het over de dierenziel hebben, blijven rusten.

Wel dient hier gevraagd naar de laatste gronden voor de meening, dat de dieren een ziel hebben. De menschen toch hebben het, gelijk wij zagen, zoowel ontkend als bevestigd. Bovendien hebben zij ook een ziel toegekend aan natuurdingen, waarvan wij niet meenen, dat zij bezield zijn.

En dan dient onverholen uitgesproken, dat wij ons denken ook hier alleen en uitsluitend laten beheerschen door de Schrift, die voor ons immers Gods Openbaring is. Wij zullen later, bij de behandeling van het menschelijk kenvermogen, gelegenheid hebben, dit nader uiteen te zetten. Thans gaat het alleen om de vraag: wat zegt, op het stuk van het bestaan der dierenziel, de Schrift?

Reeds in het eerste hoofdstuk van Genesis wordt ons het bestaan van de dierenziel geleerd. In het Godswoord dat telkens aan de schepping der dieren voorafgaat, is, zoowel in vs. 20 bij de zeedieren en vogels, als in vs. 24 bij de viervoetige en kruipende dieren der aarde, sprake van „levende zielen".

Alleen met het lichaam verbonden leeft de dierenziel.

Merkwaardig is hier bovendien, dat de dierenziel mèt het lichaam op Gods scheppingswoord uit de aarde wordt voortgebracht: „De aarde brenge levende zielen voort," vs. 24.

Bij de schepping van den mensch is dit geheel anders.

De Schrift leert ons verder, dat er een innige samenhang is tusschen de ziel van het dier en zijn bloed.

Zij doet dit allereerst in Genesis 9, wanneer, na den zondvloed, den mensch het eten van dierenvleesch wordt toegestaan, onder voorbehoud echter van het bloed. „Doch het vleesch met zijne ziel, met zijn bloed, zult gij niet eten." (vs. 4.) Het mag evenmin genoten als des menschen bloed vergoten.

Maar ook elders wordt ons op het innig verband' tusschen ziel en bloed gewezen. Zoo in de voor de leer van het offer zoo belangrijke

Sluiten