Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

plaats, Leviticus 17 : 11: „Want de ziel van het vleesch is in het bloed; daarom heb Ik het u op het altaar gegeven, om over uwe zielen verzoening te doen; want het is het bloed, dat voor de ziel verzoening zal doen." Of, zooals anderen vertalen: „want het bloed, het verzoent door de ziel", en waarbij dan de zin wordt: „het bloed verzoent, bedekt, krachtens de ziel die er in is."

Dit vers staat midden in een wet tegen het bloed eten. (vs.

10—14-)

In het dierenlichaam is het bloed en, zoo wordt ons hier geleerd, in het bloed is de ziel. En daarom moet dat bloed aan Jehova geofferd, of uitgegoten op de aarde, maar mag in geen geval gegeten.

Het verbod tegen het eten van dierenbloed komt over het geheel zevenmaal in Israels wetgeving voor. Ook van dieren, die niet geofferd werden, zooals de ree en het hert, mocht het bloed niet gegeten. Van hun bloed toch lezen wij in Deuteronomium 12 : 23 en 24: „Alleen houdt vast, dat gij het bloed niet etet, want het bloed is de ziel; daarom zult gij de ziel met het vleesch niet eten. Gij zult dat niet eten; op de aarde zult gij het uitgieten als water."

In hoever dit verbod ons nog geldt, kan hier natuurlijk nog niet besproken; ditmaal toch is het ons alleen te doen om de vraag, öf volgens de Schrift de dieren een ziel hebben.

En dan hebben wij zooeven gezien, dat de Schrift wel zeer bepaald het bestaan van een dierenziel leert en dat zij daarbij tevens op het innig verband tusschen de ziel en het bloed van het dier wijst.

Herinneren wij ons nu, hoe juist het bloed de voortdurende stofwisseling in het lichaam onderhoudt, ieder deel er van telkens weer vernieuwt, zoo kan men zeggen, dat het bloed de noodzakelijke voorwaarde voor het leven is.

De Schrift nu zegt: de ziel is in het bloed, en ook: het bloed is de ziel, — deze uitdrukkingen wisselen. De zin is niet, dat bloed en ziel identiek, dat wil zeggen, hetzelfde zijn, maar dat in het bloed van het dier het levensbeginsel schuilt, dat, wat de menschen, naar een andere, niet minder duidelijke levensuiting dan het stroomende bloed, naar den adem, ziel hebben genoemd. En zoo vinden wij dan, dat de dierenziel niet maar een menschelijke voorstelling overgebracht op het dier is, maar, volgens de Schrift, realiteit, werkelijkheid heeft. En verder, wijl dat levensbeginsel dat in het bloed is, gelijk ieder ander „beginsel", niet zinnelijk waarneembaar is, dat wij bij het dier hebben te onderscheiden tusschen zijn zinnelijk waarneembaar lichaam en zijn niet zinnelijk waarneembare ziel. Wat het dier doet leven is, zij het ook in afhankelijkheid van Gods alomtegenwoordige kracht als de „eerste oorzaak" — „neemt Gij hunnen adem weg, zij sterven, en zij keeren weder tot hun stof" (Ps. 104 : 29^) — de ziel door middel van het bloed.

Met de .wetenschap — want op grond van de Schrift mogen wij hier nu van „weten" spreken — dat de dieren een ziel hebben en dat

Van 's Heeren Ordinantiën. II. 12

Sluiten