Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarover reeds vroeger gesproken is, het groote bezwaar tegen het aannemen van een „plantenziel". De Schrift toch spreekt er nergens van, en dat doet zij nu ook wel niet b. v. van de zenuwen, maar hier hebben wij een object van waarneming.

Bij den in zijn tijd onvermoeiden verdediger der „plantenziel", professor G. Th. Fechner, van Leipzig (1801 — 1887), vindt men dan ook, dat zijn geloof aan haar bestaan deels rust op wat hij van analogie of overeenkomst tusschen menschen, dieren en planten vindt, deels op zijn pantheïstische wereldbeschouwing. \ an een onderscheiding tusschen God en wereld, zooals wij die, bij alle vasthouden aan Gods alomtegenwoordige kracht, in ons katholiek-Christelijk geloof, omtrent God, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde belijden, wil Fechner dan ook niet weten. Voor hem is de verhouding van God tot de wereld overeenkomstig aan die van onze ziel tot ons lichaam. Het Heelal is, volgens dezen wijsgeer, bezield. Ook het geestelijk leven vertoont een opklimmende reeks. E11 niet slechts de plant, maar ook de aarde waarop wij wandelen, en de sterren boven ons, zijn bezield. Staan de laatste twee boven ons, de zielen van dieren en planten staan, in de reeks of geregelde opvolging der

dingen, beneden ons.

Wijl nu een redeneering naar analogie nooit zekerheid geeft, en gevolgtrekkingen uit het pantheïsme getrokken, voor den niet-pantheïst onaannemelijk zijn, blijven wij, zooals reeds bij de bespreking van 's Heeren ordinantiën voor de plantenwereld in het zestiende hoofdstuk geschiedde, de vraag, of men in goeden zin aan de plant een ziel kan toeschrijven, ontkennend beantwoorden. Iets waarmee echter allerminst is ontkend, dat ook de plant leeft. Maar al wat leeft, is daarom nog niet bezield.

Van bezieling, van een ziel spreekt de Schrift ons in de reeks der natuurdingen het eerst bij het dier. En dan leert zij ons, zooals wij in het vorige hoofdstuk met zekere uitvoerigheid hebben aangewezen, dat de ziel van het vleesch is in het bloed.

Dit nu is voor ons niet anders dan een openbaring van onzen God voor het bestaan niet alleen, maar tot op zekere hoogte althans ook voor het wezen van de dierenziel. Zonder de Schrift, zonder dat zij er zich over uitliet, zou ook het wezen der dierenziel ons geheel onkenbaar blijven. Wat wij toch bij het dier waarnemen, is niet zijn ziel, maar zijn zekere verschijnselen, waaraan ons denken een ziel ten grondslag legt, hierin versterkt doordat wij dit bij dergelijke verschijnselen, die wij in ons zelf waarnemen, evenzoo doen. Nu is reeds kennis te verkrijgen van wat de menschenziel is, hetzij alleen door middel van zelfwaarneming, of ook door experiment of proefneming, d. w. z. doordat gij een ander, onder door u gestelde omstandigheden, zijn zielsverschijnselen laat openbaren; of zelfs ook door zeer nauwkeurige waarneming van zintuigen, hersenen en zemnven, zoo bezwaarlijk, dat vele geleerden in onze dagen de wetenschap der psychologie

Sluiten