Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oude met een deel van de werkbijen en darren den korf, om elders een nieuwe maatschappij te stichten.

Het zou ons te lang bezighouden, indien wij ook van de andere „dieren-maatschappijen" verhaalden. Maar bovendien, wat wij hierboven zagen en wat een schrijver uit onzen tijd, Maeterlinck, genoemd heeft „de ziel van den bijenkorf", is voldoende om een voorstelling te geven van dat „sociale instinct", waardoor in het groote lichaam, doordien ieder lid „het zijne doet", het welzijn van het geheel wordt bevorderd; de individu voor de gemeenschap en de gemeenschap voor den individu zorg draagt.

Evenmin zullen wij verhalen, hoe het instinct zich als kunstdrift openbaart, in de wijze waarop niet alleen de bij haar cel, maar ook de bever zijn huis, en de vogel zijn nest bouwt.

Eén voorbeeld van instinct echter mag ten slotte niet onvermeld blijven, en wel, wat men, naar het ons voorkomt min juist, tegenwoordig aanduidt als de zedelijke en zelfs als de religieuze instincten der dieren.

Er is meermalen op gewezen, hoevelen in onzen tijd — met de blijkbare bedoeling om de grens tusschen mensch en dier uit te wisschen — zooveel mogelijk wat men tot dusver specifiek menschelijk achtte, ook aan het dier, met name aan de hooger ontwikkelde dieren, zooals apen en honden, toekennen.

Met de taal, waarin de groote klove tusschen dier en mensch uitkomt, is dit tot dusver nog niet gelukt. Want wel heeft men gepoogd, de geluiden, die b. v. apen maken, in een phonograaf op te vangen, en daarin toen vijfderlei toon onderscheiden ; maar wat men nu eenmaal onder taal verstaat, is niet de uitstooting van kreten van een zinnelijk lust- of onlustgevoel, maar de uitdrukking van gedachten, d. w. z. van oordeelen of verbindingen van begrippen over ons zelf en de buitenwereld, in woorden. In dien gangbaren zin komt dan ook van de apentaal niets terecht. Wil men nu ook de vreugdekreten, die b. v. een hond uitstoot bij het terugzien van zijn meester, taal noemen, men bedenke dan, dat men het woord taal toch in zeer overdrachtelijken zin gebruikt. Eigenaardig is daarbij nog, dat de hoogere dieren, wat hun stemorganen betreft, wel degelijk in staat zouden zijn om te spreken.

Gelijk nu met de taal, zoo gaat het ook, waar men de dieren „zedelijkheid" en „religie" toeschrijft. De woorden worden dan eerst van hun gangbaren zin beroofd en vervolgens toegepast op zekere verschijnselen in de dierenwereld. Wanneer zedelijkheid niets anders is, dan dat het individu ook voor een ander iets doet, dan was zeer zeker die ooievaar, welke zich zelf op het brandende nest, om haar jongen te beschermen, aan de vlammen prijsgaf, „zedelijk". Wanneer recht niet anders is dan macht, die zich weet te handhaven, dan valt aan den hond, die

Sluiten