Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegenover zijn soortgenoot een stuk been verdedigt, geen besef van

eigendomsrecht te ontzeggen.

Als de deugd niet anders is dan nuttig te zijn voor de gemeenschap waarin men leeft, dan zijn de bijen toonbeelden van deugd.

En eindelijk, wanneer het berouw niet anders is dan de onwillekeurige verbinding van vrees voor straf met een bepaalde daad, dan openbaart zich in den hond, die, na gestolen te hebben, bang voor zijn meester is, zeer zeker het berouw. r, ,

En zoo ook, indien religie niet anders is dan het gevoel der afhankelijkheid van hoogere machten, dan moet het gedrag van den hond tegenover zijn meester religieus worden genoemd.

Gods Woord leert ons echter in zedelijkheid en recht, geweten en religie — zooals wij later ook hopen aan te wijzen „no£> anders te zien. Het is daarom, dat wij als Christenen, in spijt van al de treffende verhalen van dieren-deugd, aan de dieren beslist dit specifiek menschelijke hebben te ontzeggen.

Het dier kent en streeft naar geen ander „goed , dan wat aangenaam of nuttig voor hem is, en vliedt het voor hem onaangename of schadelijke. Wil men daarbij het dier, gelijk de middeneeuwsche denkers ter verklaring van deze verschijnselen deden, zekere kracht, een vermogen of werking toekennen, om in bijzondere gevallen en op een bepaald oogenblik te waardeeren \vat aangenaarn of onaangenaam, wat nuttig of schadelijk voor hem is, op zich zelf is daar niets tegen. Men kan dan, gelijk vroeger, spreken van een vis aestimativa, letterlijk een „waardeeringskracht", of zooals men thans, naar het ons voorkomt echter minder juist, zegt,^ een „zinnelijk oordeelsvermogen", mits men daarbij denke aan een instinctieve en niet aan een verstandelijke actie, * want het dier heeft geen vet stand.

En dit nu brengt ons tot de vraag: ivat is instinct ,J

Alle instinctieve actie dient, zooals de waarneming leert, het voortbestaan van het individu of van de soort. Het eigenaardige is daarbij de doelmatigheid van dergelijke acties.

Het instinct is niet de natuurdrift zelf, de aangeboren neiging van het dier om in zijn bestaan te volharden. Want wel komt uit deze natuurdrift allerlei actie op, doch zonder het instinct zou zij juist niet doelmatig zijn. De natuurdrift doet het hongerende dier begeeren zijn onaangename gewaarwording te verwijderen, maar het instinct doet het zijn hem passend voedsel vinden. De gansche vraag nu naar het wezen van het instinct wordt beheerscht door die andere: \\ at is de grond van deze doelmatigheid?

En hierop nu is het antwoord verschillend.

Door hen, die het onderscheid tusschen mensch en dier willen uitwisschen, wordt ondersteld, dat ook de dieren een begrip hebben van

Sluiten