Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bloed het lichaam, en het lichaam — door middel van zijn organen, die dan niet meer deugen, — het bloed niet meer, uit de aarde en haar dampkring voedt. Juist om deze wisselwerking van lichaam en bloed is het denkbaar, dat het ook anders ware. Voor den natuurlijken dood van het dier is dan ook geen andere reden te vinden, dan Gods bestel, dat niet het dier, maar alleen de mensch voor een eeuwigheid is geschapen. Gelijk al het aardsche, heeft ook het bestaan van het organisme, zoowel van dier als plant, zijn grenzen in den tijd We zet het „leven", onder Gods inwerking, zich voort van cel in cel; wel plant de individu dat leven voort in zijn nakomelingen, enblijtt dus de soort bestaan, maar het individueele dier is met onsterfelijk, het houdt eens op te bestaan. De geschapen stof vermeerdert noch vermindert, zij vergaat niet, maar de gestalten waarin de steeds werkende Almacht als „de eerste Oorzaak" haar vormt, komen en gaan in voortdurenden kringloop.

Nu sterven echter vele dieren ook een gewelddadigen dood. Zij worden door andere dieren en ook door den mensch gedood Hierbij doet zich nu de vraag voor, of zulk een dood van het dier al ot niet een gevolg is van de zonde des menschen, m. a. w. of deze dood in de dierenwereld vóór den val van Adam al of niet bestond.

Uit wat in onze Statenvertaling in Gen. 1 : 24 en 25 staat van de schepping van „wild" gedierte, valt geen besluit in bevestigenden zin te trekken, want, zooals wij vroeger reeds aanwezen, staat er in het oorspronkelijke niets van „wild", maar van het „leven der aarde ot

het „gedierte des velds". .

Neemt men echter nu in aanmerking, dat blijkens de ervaring vele dieren niet zonder andere tot hun voedsel te gebruiken, kunnen leven; dat het gebit en andere organen van het lichaam van velen hunner daar blijkbaar op is ingericht; dan pleit er veel voor, aan te nemen, dat dit ook alzoo van den beginne is geweest. Men komt toch anders tot een zeer phantastische voorstelling van een gansche verandering in het organisme dezer dieren. Dat er reeds vóór den val „vernietiging van leven" althans in de plantenwereld heeft bestaan, is, met het oog op de planteneters onder de dieren, onbetwistbaar.

Een andere vraag is, of ook de mensch vóór den val, dus in den staat der rechtheid, toen hij nog geen „zedelijke schuld had, het

vleesch der dieren heeft gegeten. , ^ . ,

Op deze vraag is onder de Gereformeerde theologen het antwoord

verre van eenstemmig. , , ,, , , ,

Sommigen hunner stelden, dat dit eerst na den zondvloed had plaats

gegrepen, én wel op grond van Gen. 9:3: *A1 wat z*?. ,r°ert' levend is, zij u tot spijze; Ik heb het u al gegeven, gelijk het groene

lcruid "

Anderen zagen echter in Gen. 9 : 3 slechts de vernieuwing van een Van 's Heeren Ordinantiën. II. 13

Sluiten