Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„oud recht" en stelden het gebruik van het dierenvleesch door den mensch veel vroeger.

Onder hen was dan weer tweeërlei meening.

Volgens de eersten begon het eten van dierenvleesch wel vóór den zondvloed, maar na den val. Reeds Calvijn had in zijn Commentaar op Genesis i : 30 — ook al wilde hij zich over de vraag niet beslist uitlaten — verklaard, dat voor een eten van dierenvleesch, vóór den zondvloed, wel iets te zeggen viel. Het offeren van dieren en het bekleeden met vellen wijst er op, schrijft hij, dat het den eersten menschen vrijstond, dieren te dooden.

Anderen gingen nog verder.

Onder hen, die het vleeschgebruik reeds vóór den zondvloed stelden, waren er, volgens wie het den mensch reeds vóór den val zou zijn geoorloofd. Beriep men zich tegenover dit hun gevoelen op Genesis 1 : 29, waar God tot den mensch zegt: „Ziet, Ik heb ulieden al het zaadzaaiende kruid gegeven, dat op de gansche aarde is, en alle geboomte, in hetwelk zaadzaaiende boomvrucht is; het zij u tot spijze," — dan antwoordden zij: dat hier één spijs den mensch wordt toegewezen, sluit niet noodzakelijk uit andere spijzen; uit het zwijgen op deze plaats van de dieren, kan tot een verbod om hun vleesch te eten evenmin worden besloten, als uit een niet vermelden hier van 's menschen drank, tot een verbod om te drinken; en eindelijk, de plaats gaat alleen over een verdeeling van de vruchten der aarde tusschen menschen en dieren.

En deze meening werd voorgedragen door theologen van onverdachte Calvinistische rechtzinnigheid. Men kan haar vinden bij mannen als den Groningschen hoogleeraar Johannes a Marck en den Leidschen hoogleeraar Bernhard de Moor.

Erkenden deze mannen, dat de mensch wel degelijk ook vóór den val recht tot „vernietiging van leven" ook in de dierenwereld had, dan is, volgens hen, het lijden dat daarmee bij het dier zich paren moet, zeker geen gevolg van 's menschen val. Staat het onder alle verstandige menschen vast, dat er door de planteneters ook vóór den val „vernietiging van leven" in de plantenwereld plaats greep, dan is — indien men aanneemt, dat een plant daarbij .lijdt", — ook dit leed geen gevolg van 's menschen val. En eindelijk, neemt men aan, met de hierboven genoemde Gereformeerde theologen, dat de menschen vóór den val dieren mochten dooden en hun vleesch eten, dan moet men, ziende op wat de ervaring leert, des te eerder aannemen, dat het zich voeden van sommige dieren met andere dieren een scheppingsordinantie is, die met den val niets te maken heeft.

o

Sluiten