Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

labyrint, een groot en kunstig gebouw, met zulk een menigte elkander kruisende gangen en ineenloopende kamers, dat men er licht in verdwalen kon.

Het labyrint van het inwendig oor nu bestaat uit het voorhof, de drie halfcirkelvormige kanalen en het slakkenhuis.

Het slakkenhuis heeft met de trommelholte gemeenschap door eene ronde opening (het „ronde venster"), het voorhof door een eivormige opening (het „ovale venster").

Beide openingen zijn door een vlies gesloten.

In het labyrint bevindt zich een vocht, waardoor, op een zeer gecompliceerde wijze, de geluidstrillingen worden overgebracht op de zich in het labyrint vertakkende gehoorzenuw, die in de hersenen, in het „ gehoorcentrum ", eindigt.

Noemden wij zooeven, „de drie halfcirkelvormige kanalen", als in het voorbijgaan zij er hier nog op gewezen, hoe volgens sommige geleerden in den laatsten tijd daaraan geen beteekenis voor het gehoor wordt toegeschreven. Zij worden door hen echter gehouden voor een afzonderlijk zintuig, dat bij de bewaring van het evenwicht bij de verplaatsing des lichaams zijn dienst zou doen.

Proeven op duiven toch leerden, dat de verwijdering dezer „kanalen" niets schaadde aan hun gehoor, maar wel aan hun bewaren van het evenwicht. Zij maken dan onbeholpen bewegingen, vallen om, en verliezen zelfs het vermogen om te staan.

Hoe het zij, de inrichting van ons gehoororgaan is, ook al staan bedoelde kanalen er niet mee in verband, zoo uiterst kunstig, dat wij als vanzelf gedrongen worden om te loven onzen God, die, zooals het in den gasten Psalm heet, het oor plant en het oog formeert.

En tot dien lof aan God op grond van wat in Psalm 139 heet het „op eene heel vreeselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt", dringt niet alleen wat de studie van het oog en het oor, maar ook wat die van heel het menschelijk lichaam ons leert.

Bestaat het met zijne vijftien, aan de an-organische wereld ontleende, elementen, waaruit het samengesteld is, uit het „stof der aarde", en blijft het met die aarde door zijn voeding en ademhaling in voortdurende betrekking, opgebouwd uit de levende cel en dus, gelijk aanvankelijk het kind in den moederschoot, reeds levend vóórdat het nog bezield is, vertoont het ons onder de zinnelijk waarneembare natuurdingen op aarde het heerlijkste van Gods werken; een heerlijkheid, die niet slechts uitschittert in de doelmatigheid van zijn inrichting, maar ook in de schoonheid, de harmonie van zijn vormen. De „gouden sneê", waarover reeds bij de behandeling van 's Heeren ordinantiën voor de plantenwereld werd gesproken, en waarop wij later terugkomen, vertoont zich ook in de menschelijke gestalte.

Het is dit lichaam, dat door God bestemd is om orgaan te wezen van de menschelijke ziel. Met deze laatste staan wij echter op het

Sluiten