Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan zijn volk zijn ordening op. Hij wijst ieder zijn plaats aan, maar zegt ook ieder, wat hij te doen heeft En eerst als nu ieder op ziin plaats blijft, en op die plaats het zijne doet, gaat alles ordelijk toe Zoo ook hebben alle zinnelijk waarneembare natuurdingen, die God schiep, hun plaats, en op die plaats doet ieder het zijne.

Wii hebben dit aangewezen voor het zonnestelsel en voor onzen dampkring-; voor de an-organische natuur van delfstoffen en kristallen; voor de organische van plant en dier en mensch, en daarin voor het lichaam met zijn functiën en verrichtingen.

Het is juist deze ordinantie — waarbij God, zooals onze Belijdenis zegt, aan een iegelijk schepsel zijn wezen, gestalte gedaante en onderscheidene ambten, d. w. z. „diensten" geeft, om zijnen Schepper te dienen, en waarin zij dus doelt zoowel op de orde der dingen als de orde der werkingen - waaraan de stoffelijke dingen onbewust gehoorzamen en welke de zinnelijk waarneembare schepping tot een kosmos, een sieraad, een wereld maakt.

Het wezen van een wereld toch is de harmonie, de samenstemming van de deelen met het geheel; dat wat ge waarneemt in een menschelijk en zelfs in een dierlijk lichaam; de schikking der leden, zoodat alle door hun plaats en werking elkander dienen.

Zulk een samenstemming nu vertoont onze stoffelijke wereld metterdaad; de bovenaardsche met de aardsche sfeer; de dampkring met wat op aarde leeft en zich beweegt.

Een voorbeeld moge dit verduidelijken. _

De energie, het arbeidsvermogen in de spieren van de hand, waarmee een werkman den voorhamer in de smidse hanteert, is afkomstig van het arbeidsvermogen dat in zijn voedsel schuilt. Daarom moet hij, die werkt, ook eten, want als hij niet eet, verslappen de spieren van die anders zoo krachtige armen. Maar dit arbeidsvermogen da: in het voedsel schuilt, komt, voor zoover het dierlijk \oedsel is middellijk doordat de dieren planten eten, en voor zoover het plantaardig voedsel is, onmiddellijk uit den dampkring, en wel doordat de planten, onder invloed van het zonlicht, het koolzuur uit den dampkring ontleden en dus arbeidsvermogen opnemen, dat zij ontleenen aan de zon.

Middellijk of onmiddellijk, is dus het arbeidsvermogen op aarde afkomstig van het arbeidsvermogen, dat in de licht en warmte uitstralende zon schuilt. .

Zoo is er een schakel van oorzaken en werkingen.

Maar hierbij kunt gij niet blijven staan. En eerst wanneer gij nu met uw denken van deze creatuurlijke of „tweede oorzaken en haar werkingen, opklimt tot de eerste Oorzaak tot God, die met Zijn eeuwige en alomtegenwoordige kracht zoowel in die zon als in dien dampkring; zoowel in die ademhalende planten als dieren; zoowel in het voedsel als in de spijsvertering en de bloedvoeding en de spiervorming van dien werkman in de smidse, van oogenblik tot oogenblik inwerkt, - vindt gij voor uw denken een rustpunt. Daarom zal dan

Sluiten