Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo heeten de engelen in de, reeds in het vorige hoofdstuk aangehaalde plaats uit Hebr. i : 14 gedienstige geesten; en wordt in vs. 7 het woord uit Psalm 104 aangehaald: „Die Zijne engelen maakt geesten, en Zijne dienaars eene vlam des vuurs."

En niet alleen de goede, maar ook de kwade engelen of de daemonen, de duivelen, worden geesten genoemd. Gewoonlijk echter met een nadere bepaling. Zoo in Mattheüs 10 : 1, waar verhaald wordt, dat Jezus den twaalven macht geeft over de „onreine geesten", om ze uit te werpen. En deze uitdrukking „onreine geest" komt op tal van plaatsen voor. Daarnaast vindt men veelvuldig de uitdrukking vboose geest", b. v. in Lukas 7 : 21: „En in dezelve ure genas Hij er velen van ziekten en kwalen, en booze geesten; en velen blinden gaf Hij het gezicht." In Lukas 13 : 11 is bovendien sprake van een „geest der krankheid" en in Markus 9 : 25 van een „stommen en dooven geest".

Ook wordt in de Schrift, naar analogie met de werking van den Heiligen Geest, gesproken van de werking van satanische machten als een werking des geestes. Zoo in Efeze 2:2, waar de heilige apostel spreekt van: „den geest, die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid".

Eindelijk gebruikt de Schrift het woord geest ook in betrekking tot menschen, en dan kan het drieërlei zin hebben.

In de eerste plaats wat wij gewoonlijk aanduiden als het „leven" of het „levensbeginsel". Zoo vindt men het in Ezechiël's visioen van de doodsbeenderen, wanneer de profeet verhaalt: „En ik zag, en ziet, er werden zenuwen op dezelve, . . . maar er was geen geest in hen." (Ez. 37 : 8.) Zoo ook, wanneer van Jaïrus'gestorven dochtertje verhaald wordt, hoe op 's Heeren woord: „Kind, sta op!" haar geest wederkeerde ; en evenzoo is het woord geest te verstaan in Lukas 23 : 46: „En Jezus, roepende met groote stemme, zeide: Vader, in Uwe handen beveel Ik Mijnen geest. En als Hij dat gezegd had, gaf Hij den geest." En in Handelingen 7 : 59, waar Stefanus bidt: „Heere Jezus, ontvang mijnen geest."

In de tweede plaats heeft geest, waar de Schrift het van menschen gebruikt, den zin van dat innerlijk zijn van den mensch, waarvan hij zich zelf, en wel in onderscheiding van zijn lichaam of zijn vleesch, bewust is. In dien zin schrijft Paulus omtrent den bloedschender te Corinthe: „Doch ik, als wel met het lichaam afwezend, maar tegenwoordig zijnde met den geest, heb aireede, alsof ik tegenwoordig ware, dengene, die dat alzoo bedreven heeft, besloten" (1 Cor. 5 : 3). En nog duidelijker komt dit uit in het 5de vers, waarin van dien mensch, welke „zijns vaders huisvrouw heeft", besloten wordt: hem over te geven den Satan, tot verderf des vleesches — d. w. z. om zijn lichaam met krankheid te slaan — opdat de geest behouden moge worden in den dag van den Heere Jezus. Een zelfde tegenstelling tusschen vleesch en geest ligt ook in Hebreen 12 : 9, waar van de vaders onzes vleesches en den Vader der geesten wordt gesproken.

Sluiten