Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelegde ziel. En in de tweede plaats, positief, dat met geest zich verbindt de gedachte aan leven; verder aan beweging, in den meest ruimen zin; en aan bewustzijn.

Van dit gegeven uitgaande, en in verband met de gegevens der Schrift over het gebruik van het woord geest in betrekking tot de schepselen, willen wij nu trachten een antwoord te vinden over het wezen van den geest.

III.

GEEST.

(Vervolg.)

Zullen wij dan niet veel meer den Vader der geesten onderworpen zijn, en leven?

Hebreëk 12 : 9b.

Wij hebben tot dusver gevonden, dat de Schrift het woord geest zoowel voor God als voor de schepselen gebruikt; dat zij dus, door zoowel van den ongeschapen Geest, als van geschapen geesten te spreken, het bestaan van den geest leert.

Vervolgens bespraken wij reeds, wat zij leert, wanneer zij het woord geest gebruikt in betrekking tot God.

Het woord van den Heiland tot de Samaritaansche, ons bewaard in Joh. 4 : 24: „God is een geest", leerde ons allereerst het aanbiddelijk wezen van den Eeuwige als geestelijk kennen.

Nu wordt ons elders in de Schrift geleerd, b. v. in het verbod van den beeldendienst en evenzoo in Salomo's woord bij de tempelwijding: dat zelfs de hemel der hemelen den Heere God niet kan begrijpen of omvatten (1 Kon. 8 : 27) — een zelfde gedachte als die, welke onze Heidelbergsche Catechismus uitspreekt, wanneer hij in antwoord 48 zegt: „Want mitsdien de Godheid onbegrijpelijk en overal tegenwoordig is," — dat Gods aanbiddelijk wezen niet door eenige ruimte begrensd, dus onstoffelijk, m. a. w. onlichamelijk is.

Leert nu de Schrift ons, dat God de Heere naar Zijn wezen nietstoffelijk en dus onzienlijk is, en tevens, dat Hij naar Zijn wezen geest is, daaruit volgt dan voor het wezen van den geest: hetniet-stoffelijk, het niet door ruimte begrensd, niet zinnelijk waarneembaar, of zooals de Schrift zegt, het onzienlijk zijn.

Hiermede leeren wij echter slechts ontkennender wijze, wat geest bij God is; met andere woorden: wat geest niet is.

Sluiten