Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

God staat nergens buiten.

Niet buiten de onzienlijke, maar ook niet buiten de zienlijke dingen.

Hij is in ieder stof-atoom, en Hij draagt ze en verbindt ze tot moleculen.

Hij is in een steen, en in een plant en in een dier. Maar die steen en die plant en dat dier kunnen er geen weet van hebben.

Het is met hen als met een blinde, die door het licht is omstraald; het licht is vlak bij hem, maar tusschen hem en het licht is geen gemeenschap. En dat juist is de groote, zalige genieting in dit leven, waarop een mensch is aangelegd, dat hij er vvèl weet van kan hebben, dat zijn God in hem is. In die bewuste gemeenschap ligt dan ook het wezen der religie.

Maar juist omdat God, die geest is, in heel Zijn wereld alomtegenwoordig is, verstaat gij dan ook, hoe gij „geest en niet óók stof zijn" bij den Eeuwige nooit moogt bezien als een gemis.

Ons onderzoek naar de beteekenis van het woord geest, waar de Schrift het gebruikt in betrekking tot God, kon, in verband met ons tegenwoordig onderwerp: 's Heeren ordinantiën voor de geestelijke wereld, zich niet begeven in een breedvoerige bespreking van wat de Schrift ons openbaart omtrent den Heiligen Geest; van den Derden Persoon der Heilige Drievuldigheid; van den Geest, dien wij in het ééne Goddelijk Wezen, dat geest is, van den Vader en den Zoon hebben te onderscheiden. Wij moesten ons dus bepalen tot i Corinthe 2 : 11.

Dat wij, toen verschillende plaatsen, waar de Schrift leert dat er geest is, moesten genoemd, ook op andere plaatsen wezen, waar van den Heiligen Geest wordt gesproken, was alleen, opdat men voor zijn denken den wezensnaam geest niet zou verwarren met den persoonsnaam: Heilige Geest. Want naar katholiek-Christelijk belijden is God niet alleen geest, en omdat Hij heilig is ook heilige geest, maar is in het geestelijke Wezen Gods de Heilige Geest éénzelvigen wezens, majesteit en heerlijkheid met den Vader en den Zoon.

Uitkomst van ons onderzoek is dus, dat, waar de Schrift van geest spreekt in betrekking tot God, zij daarmee óf Zijn wezen zelf óf wat in Zijn wezen is, bedoelt; dat, waar zij Zijn aanbiddelijk wezen zelf bedoelt, geest negatief tegenover stof, dus als het onzienlijke tegenover het zienlijke staat, en geest dan positief ziet op het leven en op het beginsel, grond of oorzaak zijn in den diepsten, den meest volstrekten zin, d. w. z., dat God, die geest is, het leven is, in Zich zelf het leven heeft en aller dingen levensbron is, en dat God, die geest is, door niets veroorzaakt, aller dingen eerste oorzaak of beginsel en, zooals men het wel uitdrukt, oorzaak van Zich zelf is; en eindelijk,

Sluiten