Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat waar de Schrift spreekt van geest en dan daarmee bedoelt wat in Gods wezen is, geest dan ziet op dien Heiligen Geest, tot wiens werkingen in het Wezen Gods ook behoort het onderzoeken van de „diepten" Gods, het kennen van wat Gods is.

Thans komen wij tot het tweede deel van ons onderzoek en wel naar wat de Schrift bedoelt, wanneer zij van geest spreekt in betrek kins? tot de schepselen. Om hier echter niet op een dwaalspoor te raken, is het goed. ons nóg eens duidelijk te maken, dat wanneer een dergelijk woord als „geest" èn van God èn van de schepselen wordt gebruikt het nooit denzelfden zin kan hebben. En dat wel toom,

God en Zijn schepselen een wezensverschil is, m. a. w. God kan nooit schepsel en een schepsel kan nooit God worden; God kan niet mensch en de mensch niet God worden. Vandaar dan ook, dat al wat beider wezen zelf, of wat in beider wezen is, bedoelt te omschrijven, in den zin moet verschillen, ook al wordt er een woord voor gebruikt

Het is er mee als met het woord „zelfstandigheid in onderscheiding van eigenschap". en waaronder men dan, gelijk vaak geschiedt, verstaat iets dat zóó bestaat, dat het voor zijn bestaan geen ander ding noodig'heeft; terwijl men dan zegt: een eigenschap daarentegen bestaat niet anders dan aan of in een zelfstandigheid.

Zoo is dan b. v. 'n mensch een zelfstandigheid, en denken en willen ziin dan zijn eigenschappen. Maar past men hetzelfde ^'0°rd "Z®14" standieheid" nu ook toe op God den Heere, dan voelt ieder dadelijk dat het een heel anderen zin heeft, dan wanneer het van n schepsel, b. v. van een mensch of een dier of een plant wordt gebruikt. Want, aangenomen nu eens, dat 'n mensch, 'n dier of n plant voor hun bestaan geen andere schepselen noodig hebben, zoo kunnen zij voor tof bestfan toch God niet missen; maar Hij alleen heeft als de Algenoegzame, niemand of niets anders noodig, alzoo Hij zelf allen het leven en den adem en alle dingen geeft (Hande mgen 17 • *5)Door nu dit wezensverschil tusschen God en schepsel met scherp 1 het oog te houden, raakt men op de pantheïstische lijn m. a. w. vermengt God en wereld; en daarom was het zoo noodig, er ook hier

op te wijzen.

Nu hebben wij in het vorige hoofdstuk gezien, hoe in de Schnft het woord Ruach, dat zoowel wind en adem als geest kan beteekenen, ook in betrekking tot de dieren wordt gebruikt; zoo m Genesis 7.15. 2i en 22 • Ps. 104 : 29 en Pred. 3 : «• Door onze Statenvertalers is op sommige dezer plaatsen het woord Ruach overgezet met adem.*ij adem hebben wij echter te denken aan wat kenmerk van het Uv ,

en zoo moet dan overal waar de Schrift spreekt van geest in betrekking

tot de dieren, gedacht worden aan het leven. Zoo wordt ook in de straks aangehaalde plaats. Handelingen 17 : 25: „alzoo Hij zelf aUe het leven en den adem" - zoë èn pnoë, een woord dat evenals pneuma

Sluiten