Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Is ook de geschapen geest onzienlijk, hij is daarom niet als de ongeschapen geest onbepaald in den zin van onbegrensd door iets anders. God alleen is eeuwig en alomtegenwoordig, maar de engel is juist als een geschapen geest door God bepaald in zijn bestaan. Dat bestaan begint, wanneer God hem schept; het is, gelijk al wat in de wereld is, gebonden aan plaats, en ook de wijze van dat bestaan is door God bepaald.

En zoo ook, al is van zulk een geschapen geest het leven onafscheidelijk, hij heeft dat leven niet uit of in zich zelf, maar dankt het aan zijn Schepper, die het hem met zijn aanzijn schonk en het als aller creaturen leven van oogenblik tot oogenblik onderhoudt. En zoo ook, al is zulk een geschapen geest oorzaak of beginsel van werking, hij is zelf veroorzaakt door zijn God, kan als oorzaak niet werken zonder de medewerking en inwerking van Gods alomtegenwoordige kracht en is daarom altijd maar „tweede oorzaak", en is dan ook „alzoo in Zijne hand, dat hij tegen Zijnen wil zich noch roeren, noch bewegen kan".

En eindelijk, ook al is wat in zulk een geschapen geest werkt en waarvan het resultaat zijn zelfbewustzijn is, geest, de geest in den engel is niet alwetend, gelijk de Geest in God; ook in zijn wezen zijn „diepten", die niet hij, maar God alleen kent.

Eindelijk vonden wij in het vorige hoofdstuk, hoe de Schrift het woord geest ook gebruikt in betrekking tot menschen.

Veilig kan gezegd, dat dit echter nooit geschiedt om er, gelijk bij God of de engelen, het wezen van den mensch mee uit te drukken. God is geest en de engelen zijn geesten, maar op de vraag: Wat is de mensch? antwoordt de Schrift nergens: de mensch is geest. Hij toch is naar zijn wezen lichaam èn ziel, en staat juist daardoor èn tot de zienlijke èn tot de onzienlijke dingen in betrekking. Daarom staat hij dan ook op de scala van Gods schepselen hooger dan het dier, maar ook hooger dan de engel. En de eenige troost voor een kind des Heeren in leven en sterven is, dat hij met lichaam èn ziel Jezus' eigendom is.

Toch gebruikt de Schrift het woord geest ook in betrekking tot 's menschen lichaam. Zij doet dit op dezelfde wijze, waarin zij het ook gebruikt in betrekking tot de dieren, en wel overal, waar zij spreekt van het animale leven, van dat, waardoor de stof georganiseerde stof, m. a. w. lichaam wordt. Dit leven is reeds in de cel, ook in de bevruchte cel waaruit straks het menschelijk lichaam wordt opgebouwd. Wil men dit het animale levensbeginsel noemen, het valt dan samen met wat bij de dieren „ziel" heet; doch het komt ons voor, dat men — zooals wij later nader hopen aan te wijzen — goed doet, dit animale levensbeginsel te onderscheiden van en dus niet te vereenzelvigen met wat men bij de menschen „ziel" noemt. Spreekt nu de Schrift hier van geest, gelijk in de uitdrukking: „den geest geven", geest staat hier

Sluiten