Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De menschen hebben echter deze verschijningsgestalten, die dat wezen eer als met een sluier omhullen, met het wezen zelf verward.

Vooral de kunst heeft dit sterk bevorderd.

Schilders hebben ons gepenseeld en beeldhouwers gebeiteld enge als gevleugelde menschengestalten. Met name bij het aanbrengen van de vleugels hebben zij dan altijd groote moeite gehad. Niet al wat zich laat „voorstellen" laat zich ook „afbeelden . Hier zijn zekere grenzen, die, wanneer men ze overtreedt, het wanstaltige veroorzaken.

Dit laatste greep dan hier plaats. ,

Wij hebben toch vroeger gezien, hoe het skelet van een mens een bekken- en een schouder-gordel heeft en hoe aan den iaatst het schouderblad met den arm vastzit. Waar nu de arm zit bij d mensch, zit bij den vogel de vleugel. Bij een mensch is dus voor n

%1 Vandaar, dat het zoo bezwaarlijk is om, wanneer men met de: anatomische verhoudingen rekenen wil, aan een menschenfiguur vleugels te teekenen. De kunstenaars wisten er dan ook geen anderen raad op, dan ze maar te plaatsen op den rug. Dat het wanstaltige ons hier niet meer opvalt, is alleen, omdat wij er aan gewoon zijn geraakt.

Wij hebben dit punt met zekere uitvoerigheid hier behandeld, om in te gaan tegen de gewone, maar toch zeer onjuiste voorstelling van de engelen, waardoof toch zij zijn, m. a. w. hun wezen, voor

uw bewustzijn wordt verdonkerd. .

Het is er mee als met punten, lijnen en_ vlakken. Een 3°"^n pas aan wiskunde gaat doen, houdt een witte krijtstreep °P voor een „lijn". Maar de lijn is juist niet die vele krijthchaampjes, door wrijving op het zwarte schoolbord losgemaakt van het stuk krijt. Eerst langzamerhand gaat hij dan ook begrijpen, dat men zich een echte lijn wel kan denken, maar niet kan voorstellen. . ,r_.t„11pn En zoo ook kunnen wij ons het wezen der engelen met VTOi^eUen, maar alleen denken, en wel door er al wat stoffelijk-lichamelijk is van

"Wüft wi^allerminst zeggen, dat de engelen slechts »&edachte'^ngen_ zijn, en dus alleen maar zouden bestaan ais gedachtenvan ons. Integendeel, zij zijn zelfs meer dan gedachten Gods, al waren zij dat ook vóór hun schepping. Sedert en met hun schepping traden ook deze eeuwige ideeën of gedachten Gods door Zijn ^sdaad bmten Zijn Wezen en kregen een eigen zijn en aanzijn ^mieer geschied, zegt ons de Schrift wel met met zoovele woorden, maar toch biedt zij ons in het verband waarin het Woord van den Heere n Job 38 : 7 voorkomt: „Toen de morgensterren te zamen vroolijk zongen en al de kinderen Gods juichten." - een dat hun schepping moet zijn voorafgegaan aan de toebereid g

Sluiten