Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van Serafijnen wordt ons in de Schrift alleen gesproken in Jesaja 6.

Wij hebben in dit hoofdstuk het verhaal der roeping van Jesaja, den zoon van Amoz, tot profeet.

Een buitengewone roeping tot een buitengewoon ambt. .

Zij komt hem toe in en door een visioen. Het is hier nog niet de plaats, om te spreken over het wezen van het visioen; slechts zij opgemerkt, dat het wel is te onderscheiden van den droom, maar ook, dat hij, die naast of achter Jesaja gestaan had, mets zou hebben

g&Het was dan in het sternaar van Juda's koning Uzzia, dat is 736 vóór Christus, dat de zoon van Amoz 'n gezicht had. Hij schouwde, hii zag- den Heere, gezeten op een troon, hoog en verheven in Zijn heilige woning. De slippen van Zijn koningsgewaad vervulden de gansche ruimte. Serafs stonden bij Hem; elk had zes vleugels, twee om het gelaat, twee om de voeten te bedekken, en twee om te \ liegen. Zii riepen elkander toe en zeiden:

„Heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen! De gansche aarde

is van Zijne heerlijkheid vol!"

Jesaja ziet, hoe de dorpelposten op dit machtig geroep zich bewegen; het huis des Heeren door Jehova's tegenwoordigheid met rook wordt vervuld. Het bewustzijn van eigen zonden en van die zijns volks, waarmee hij zich één weet, doet den profeet beven, nu hij dus den Koning den Heere der heirscharen, ziet. Dan volgt in het gezicht de reiniging van Jesaja. Een der serafs ziet hij naar zich toe vliegen en zijn "mond aanraken met een gloeiende kool, die hij met een tang van het altaar had genomen. Wij hebben hierbij te denken aan de symbolische beteekenis van het vuur als reinigingsmiddel, gelijk net dan ook heet in Numeri 31 = -'3= .Alle ding, dat hetvuur lijdt, zult gij door het vuur laten doorgaan, dat het rein worde. Dezelfde serat verkondigde Jesaja, dat, nu dus zijn lippen zijn aangeraakt, zijn schuld geweken, zijn zonde verzoend is. En als hij nu den Heere zei °° zeggen: „Wien zal Ik zenden? en wie zal ons henengaanbiedt hij zich zelf aan en ontvangt Jehova's last.

Het is ons hier niet om Jesaja's roeping, maar om de in zijn visioen optredende serafs te doen.

Allereerst dan wat den naam betreft.

Over de afleiding van dien naam bestaat verschil.

Volgens sommigen komt hij van een Hebreeuwsch woord, sarapk dat branden beteekent; volgens anderen van een Arabisch woord, scharipha, dat „hoog, verheven, edel zijn" beteekent. Bij de laatste afleiding krijgt men dan den voor engelen niet veel zeggenden zin

van „edelen", „verhevenen".

De eerste afleiding komt ons dan ook aannemelijker voor.

Ook hier zijn echter weer twee meeningen. , , ,

Onder hen, die seraf in verband brengen met sarapk, branden zijn er, die aan slangen denken. Werkelijk wordt dan ook een giftige

Sluiten