Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oogenblikken, niet vreemd is, en waarin het dan wel zou wenschen, dat heel de wereld meejubelde voor zijn God.

In dien psalm nu worden hemel en aarde tot zulk een jubel opgewekt.

Eerst de engelen.

„Looft Hem, al Zijne engelen! Looft Hem, al Zijne heirscharen!" (vs. 2.)

Maar dan ook de bovenaardsche sfeer.

„Looft Hem, zon en maan! Looft Hem, alle gij lichtende sterren! Looft Hem, gij hemelen der hemelen, en gij wateren, die boven de hemelen zijt!

„Dat zij den Naam des Heeren loven; want als Hij het beval, zoo werden zij geschapen." (vs. 3—5.)

En dan heet het van deze schepselen in de bovenaardsche sfeer: „En Hij heeft ze bevestigd voor altoos in eeuwigheid; Hij heeft hun eene orde gegeven, die geen van hen zal overtreden." (vs. 6.)

Daar hebt ge het natuurlijke.

Het gebied van de noodwendigheid; van wat niet anders doen kan; van de natuurlijke, stoffelijke wereldorde.

Die zon en maan en lichtende sterren gaf God een orde, die zij niet kunnen overtreden, die zij, onbewust, gehoorzamen.

Daar komt geen willen bij te pas.

Maar aan de engelen en ook aan de menschen gaf Hij Zijne geboden; tot hen heet het :• gij zult.

Dat zijn de zedelijke ordinantiën des Heeren.

Kort samengevat in dat ééne, dat zoowel voor den mensch als voor den engel geldt: gij zult Mij gewillig dienen; Mij willen gehoorzamen; Mijn wil doen.

Maar juist omdat engelen, zoowel als menschen, redelijk-zedelijke wezens zijn, kunnen zij dat ook niet-willen, ook niet-doen, in stee van Gods ordinantie: gij zult Mij zóó dienen, te gehoorzamen, er tegen ingaan.

Zij zelf en hun actie worden dan van zedelijk-goed zedelijk-slecht, en dat zedelijk-slechte is de zonde: de ongehoorzaamheid, de onwettigheid, de vijandschap tegen God.

Over den mensch kan hier nog niet gesproken worden; thans loopt ons onderzoek naar 's Heeren ordinantiën nog uitsluitend over de engelen.

Wat wij zooeven aanduidden als de zonde, is het eerst ontstaan in de engelenwereld.

Zij is de wereld, waarin men zondigen kon, waarin men gezondigd heeft, omdat zij was een wereld van vrije, dat is zedelijke schepselen, en die als zoodanig staat tegenover de wereld der bloote natuurdingen met hun noodwendigheid.

Nu weten wij wel, dat, streng genomen, dit onderwerp ons brengt over de grens van 's Heeren ordinantiën in de natuur, en dat de zonde in de engelenwereld, streng genomen, eerst bij 's Heeren ordinantiën voor de zedelijke wereld moet besproken; maar toch meenen wij beter te doen, er nu reeds op in te gaan.

Sluiten