Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der heiligen, een gave Gods is, aan de engelen die niet gevallen zijn,

eerst later geschonken.

Toch blijven wij bij den oorsprong der zonde, die niet in de menschenwereld, maar in de engelen wereld moet gezocht, staan voor een mysterie, voor een raadsel, dat ook de Schrift ons niet oplost.

Zeker, wij kunnen ons indenken, hoe een deel der engelen, een deel der heirscharen, der legioenen Gods, onder een eigen hoofd en vorst, zooals er, naar wij vroeger gezien hebben, nóg onder de engelen zijn — men denke b. v. aan Michaël —, een hoog gevoel hadden \ an hun eigen macht en glorie; hoe vooral de goede engel, die later Satan werd en reeds vóór zijn val over zijn engelen als een vorst heerschte,

sterk besef had van zijn eigen glorie.

Dat toen dit hooge zelfgevoel tot hoogmoed tegenover God werd, is een feit; maar het verklaren kunnen wij niet en mogen wij zells niet, want de zonde is juist het irrationeele, het onredelijke, en moet dat ook voor ons blijven.

Deze hoogmoed, eenmaal opgekomen, ging toen in tegen de, 00 aan de engelen gestelde ordinantie des Heeren om Hem te dienen.

Hoogmoed wil niet dienen maar heerschen, en wijl de vorstelijke engel, die toen Satan werd, niemand boven zich had dan God, ging

zijn wil vlak in tegen God.

Tegen Hem, den Almachtige, dien Hij met langer wilde dienen, maar die tegenover hem toch altijd de Sterkere bleek, ontwaakte toen ziin vijandschap en kwam de zonde uit in haar eigenaardig karakter van „vijandschap tegen God". De liefde voor God, die ook dezen engel oorspronkelijk vervulde, sloeg toen om in haat, en ook van hem kan worden gezegd, dat de haat, waarmee hij voortaan en tot m eeuwigheid God zou haten, grooter was dan de liefde, waarmee hij

Hem eens had liefgehad. .. „ , t

Toen heeft hij opgezegd de trouw aan zijn God, om trouweloos met de hem ingeschapen krachten en verleende macht in te gaan

tegen zijn Schepper.

De hoogmoed, eenmaal opgekomen ook in zijne engelen, bracht er ook dezen toe om allereerst niet langer te erkennen — gelijk, naar wij vroeger zagen, zelfs in lateren tijd Michaël nog zal doen (Judas vs q) — zijn macht en ook de macht van God.

Het „noch God, noch meester!" is de zondige gedachte die het eerst opkwam in Satan's engelen. En wij kunnen ons voorstellen, hoe Satan zoo booze begeerte in den geest zijner engelen, die met hem gemeene zaak tegen God wilden maken, zal hebben gevoed; hoe hij het hem van God verleende vorstelijk gezag over zijn engelen eerst te grabbel zal hebben geworpen, om het straks, toen zij duivelen waren geworden, met geweld weer over hen te handhaven. ^

Satan is een harde meester, ook voor zijn engelen, want in hem is geen liefde voor God en dus ook niet voor zijn medeschepselen, ün ook later, toen de keuze gedaan was en zij voor hem en tegen Oro hebben gekozen, hebben deze engelen ondervonden, dat alle voor-

Sluiten