Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

spiegeling van het voortaan zondêr meester zijn, leugen was. Immers, Jezus zelf zegt ons, dat ook de gevallen engelen onder Satan een rijk vormen; een rijk waarin eenheid heerscht, die zeker ook wortelt in den gemeenschappelijken haat tegen God, maar ook in Satan s ingeschapen en daarom door zijn zonde niet verloren talent tot heerschen. Tot de Farizeën zegt de Heere toch: „Een ieder koninkrijk, dat tegen zich zelf verdeeld is, wordt verwoest; en een iedere stad, of huis, dat tegen zich zelf verdeeld is, zal niet bestaan. En indien de Satan den Satan uitwerpt, zoo is hij tegen zich zeiven verdeeld; hoe zal dan zijn rijk bestaan?" (Matth. 12 : 25 en 26.)

Zoo kwamen dan Satan en zijne engelen voor de keuze te staan van öf God te dienen óf tegen Hem zich te verzetten.

Zij kozen het laatste en vielen in een onherstelbare ellende. Hun medeëngelen kozen den dienst van God en kregen deel aan de zaligheid als een onverliesbaar goed.

En zonder dat dit nu in het minst den oorsprong der zonde bedoelt te verklaren, mag er toch op gewezen, dat heel de engelenwereld, en iedere engel voor zich, voor deze keuze moest gesteld en zelf deze keuze moest doen.

En dat juist omdat zij zedelijke schepselen zijn, d. w. z. omdat een engel zijn God niet, als de bloote natuurdingen, onbewust en zonder een-wil, maar bewust en gewillig moet dienen.

Satan is in de waarheid niet staande gebleven, want geene waarheid is in hem.

Die waarheid waarin Satan niet staande is gebleven, waarin hij het niet kon uithouden, waaruit hij viel, vrijwillig viel, is de realiteit, de werkelijkheid der dingen; de werkelijkheid, dat God, de Almachtige, Schepper is van hemel en aarde, en daarom Souverein is, en daarom heel die geestelijke en stoffelijke wereld onder Zijn ordinantie staat. En tegen die werkelijkheid der dingen gaat Satan nu in. Hij haat haar, hij ontkent haar, en spiegelt zich zelf en anderen een wereld voor, die juist het tegendeel van de reëele is, een leugenwereld, waarin God niet God is en Zijn ordinantiën niet bestaan.

Maar telkens en telkens weer ondervindt ook Satan de realiteit der dingen, en dat juist is zijn ellende.

Hij moet als alle engelen God dienen, al wil hij het niet. Daarom slaat bij Satan en zijne engelen dan ook al wat wij in een vorig hoofdstuk zagen van den dienst der engelen, in zijn tegendeel om.

Hij moet zijn God loven, en daarom vloekt hij en vloeken zijn engelen God, in waanzinnigen haat. Want ook het vloeken is een bidden, een rechtstreeksch spreken tot God, maar een spreken om Hem te lasteren, om te hoonen Zijn onverbreekbare macht, Zijn door niets te weerstane souvereiniteit.

Sluiten