Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hii moet strijden voor God, maar hij en zijne engelen strijden met de kracht der wanhoop tegen God, wiens onverwinbare sterkte hun telkens weer te machtig is. Het: „Laat ons hunne banden verscheuren en hunne touwen van ons werpen!" het lied der revolutie van de koningen der aarde tegen den Heere en Zijn Gezalfde, is ook een

krHij moefdienen" ook in enger xin, en waar hij het niet wil, gebruikt God hem toch als instrument in Zijn dienst. Hij moet Gods kmderen leed doen, en hij doet het om, indien het mogelijk ware ze te verderven; maar God heeft het kwaad, dat hij tegen hen denkt, als Jakobs zonen tegen Jozef, ten goede gedacht (Gen. 50 : 20). Hij, Satan stond op tegen Israël, en hij porde David aan, dat hij Israël telde zoo lezen wij in 1 Kronieken 21:1. Satan deed het uit haat tegen Gods volk tegen David. Maar in 2 Samuel 24 : 1 lezen wy: „En de toorn des Heeren voer voort te ontsteken tegen Israël; en Hij porde Daxi aan tea-en henlieden, zeggende: Ga, tel Israël en Juda. In dit laatste wordt ons ontsluierd de diepste oorzaak van Davids doen, de toorn des Heeren tegen Zijn volk, en waarbij Hij Satan met zijn inwerking op Davids ziel maar gebruikt als een herder zijn hond; waarbij Hij, door Satan te gebruiken, zonde met zonde stratt.

Hij, Satan, komt met zijn aanvechtingen over uw ad, om u, indien het mogelijk ware, tot wanhoop te brengen; maar het isGods bedoelen, dat gij te midden dier aanvechtingen al meer uw kracht leert zoeken

bii Hem in Wien alleen uw sterkte is. ^ , ,

Hij, Satan, komt tot de kinderen der wereld, om ze tot al zwaarder zonde te verleiden; om ze naar ziel en lichaam al meer te verderven, maar het is niet anders dan Gods rechtvaardig oordeel, dat in dit

overgeven aan Satan over hen komt. m»

Ook Satan en zijn engelen blijven gedienstige geesten, al willen

zij het niet.

Ook van Satan en zijn engelen kunnen wij, omdat zij geesten zijn,

°nSDee'"SJKÏÏ* voorSng van de Satansfignur is dan ook niets dan een product der dichtende verbeelding en tegen de Schnlt.

Alleen bij 's Heilands verzoeking in de woestijn, maar overigen op geen enkele plaats in de Schrift, is sprake van een verschijning van Satan zooals wij die vermeld vinden van de goede engelen.

Ïcharia in oen .gezicht" Josna en Satan staande voor den Engel des Heeren schouwt, wordt ons wel de gedaante van den hoogepriester, maar niet die van zijn tegenpartij beschreven. (Zachana 3.)

Wat eindelijk den naam Satan betreft hebben wij hier te doen met een Hebreeuwsch woord, dat den zin heeft van „tegenstander , „t g partii". Hetzelfde woord satan wordt dan ook gebruikt, met van den JEl, maar juist van den Engel de, Heeren die Büearn ,n^den weg trad. In Numeri 22 : 22 lezen wij toch van Bileam: „En de Engel de Heeren stelde zich in den weg, hem tot eene /^«/^. en nog e in vs 32, waar de Engel des Heeren zegt: „Waarom hebt gij uwe

Sluiten