Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dient, wijl het spraakverwarring veroorzaakt, geen aanbeveling. Gewoonlijk toch neemt men het in veel enger zin, en past het toe op een wezen, dat een zijn heeft, onafhankelijk van een lichaam.

In dien zin nu behoort de dierenziel dus niet tot de „geestelijke" dirtgen, en moesten wij haar daarom reeds in de eerste en niet in deze tweede afdeeling, die uitsluitend van 's Heeren ordinantiën voor de geestelijke dingen handelt, bespreken.

Ons alsnu uitsluitend bepalend tot 's Heeren ordinantiën voor de ziel des menschen, hebben wij allereerst de vraag te beantwoorden naar haar wezen, of m. a. w. wat is de ziel?

Vele beoefenaars der zielkunde of psychologie — van het Grieksche woord psyche, dat ziel beteekent, — laten zich met deze vraag niet in.

Zij vergenoegen zich slechts met een beschrijving, rangschikking en verklaring te geven van de z.g. psychische verschijnselen, d. w. z, van zekere verschijnselen, die men bij zich zelf en, tot op zekere hoogte, bij onze medemenschen, in onderscheiding van de bloot lichamelijke verschijnselen, waarneemt. Zoo b. v. ons denken en willen, verbeelden of phantaseeren, ons verbinden van voorstellingen, ons zich verheugen of zich bedroeven, ons haten of liefhebben, ons hopen en vreezen. Deze beoefenaars toch meenen, dat het wezen der ziel onkenbaar is. Sommigen hunner zeggen, dat men wel streven moet om tot haar kennis te geraken; dat de gedachte of de idee „ziel" een soort leidstar moet zijn bij dit streven; maar anderen, daarentegen, hebben zelfs dit streven opgegeven, vast overtuigd, dat men èn nu niet èn nooit er achter zal komen, wat de ziel is. Dan, hoe men hier nu ook over denke, veel verschil maakt dit niet, en op dit standpunt krijgt men dus psychologie zonder psyche, een zielkunde zonder ziel.

Nu beroepen zij, die de onkenbaarheid van het wezen der ziel leeren, zich op het feit, dat wij haar zelf niet waarnemen. En dit feit moet ook dóór ieder, bij eenig nadenken, voetstoots erkend.

Wat gij waarneemt, zijn niet dan zielsverschijnselen, zielswerkingen, zielstoestanden.

Gij neemt ze waar, innerlijk en onmiddellijk, bij u zelf, b. v. als gij u het verledene herinnert en aan de voorstelling van het ouderlijk huis zich onwillekeurig die van uw vader, uw moeder verbindt; als ge opbruist in toorn of u gedrukt voelt door smart. Gij neemt ze waar, uitwendig en door middel van de zinnen, bij anderen, b. v. door het gehoor van hun gesproken woord, als zij u vertellen van wat zij zich op een gegeven oogenblik herinneren; door het gezicht, als gij ziet hun vuisten-ballend en oogen-rollend gebaar van woesten toorn; als gij ziet hun traan of hun lach, de teekenen hunner droefheid of blijdschap.

Sluiten