Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dit laatste is een natuur-ordinantie, en er pleit dus veel voor, dat het van den aanvang ook zoo zal zijn geweest. Zekerheid hebben wij hier natuurlijk niet, maar de onderstelling mag gewaagd, dat nog vóór de inblazing van den „adem des levens" krachten aanwezig waren, wier samenwerking het bloot „groeiende" leven constitueerden. Wij moeten ons toch dat „formeeren uit het stof der aarde" vooral niet mechanisch voorstellen, niet als een boetseeren van een beeld uit een klomp leem, maar veeleer, door een werking van Gods kracht, organisch. Het was eer van den aanvang af een groeien en dus een leven, een splitsen van cel uit cel, naar analogie van wat nog plaats grijpt.

Dan, wij herhalen nog eens, volkomen zekerheid ontbreekt hier.

Wij komen thans tot de tweede actie van Gods scheppende almacht: het inblazen van den adem des levens.

Wat hebben wij onder deze uitdrukking te verstaan?

Zeker niet, dat er in het nu reeds geformeerde lichaam lucht werd ingeblazen, want de lucht uit den dampkring wordt door ons wel in- en uitgeademd, maar dat is niet wat ademt. Zegt men nu: wat ademt zijn de longen, dan is dit zeker niet onjuist, mits men maar versta, dat er toch nog weer dieper oorzaak moet zijn, welke deze longen doet ademen, wijl, naar wij vroeger zagen, de levensverschijnselen niet bloot „mechanisch" te verklaren zijn, en het is dan juist die diepere oorzaak, welke hier genoemd wordt „de adem des levens". Wordt met deze uitdrukking dus bedoeld datgene, wat de levensverschijnselen veroorzaakt, wat er de bestaansgrond van is, wij mogen er dan voor in de plaats stellen het woord „ziel".

En deze „adem des levens", deze ziel nu, werd aan het reeds geformeerde lichaam „ingeblazen" door God.

Nu is God geest.

Het „geblaas Gods", waarvan wij ook lezen in Job: „Zoo lang als mijn adem in mij zal zijn, en het geblaas Gods in mijnen neus," (h. 27 : 3) moet dus geestelijk verstaan.

Er mag dus volstrekt niet gedacht aan wat men in de stoffelijke wereld bij mensch en dier blazen noemt, een, met meer kracht dan gewoonlijk, door de lippen uitademen. Zelfs niet aan dat blazen van Jezus, waarvan wij lezen in Johannes 20 : 22: „En als Hij dit gezegd had, blies Hij op hen, en zeide tot hen: Ontvangt den Heiligen Geest."

God is een geest, en Hij inspireerde Zijn profeten, Zijn heilige schrijvers. Ook hier hebt gij datzelfde inblazen Gods. Want inspireeren is letterlijk „inblazen", „aanblazen".

Satan is een geest, en wij spreken van de „inblazingen van Satan",

Wij hebben dus te denken in Gen. 2 : 7 aan een zuiver geestelijke en bijzonder krachtige actie van God, die geest is, en waarvan het resultaat was, dat nu de grond der menschehjke levensverschijnselen in het menschelijk lichaam ontstond.

Blijft nog over, hoe dan is te verstaan dat „in zijne neusgaten".

Sluiten