Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De bedenking, dat God na de voltooiing der schepping, waarvan wij lezen in Gen. 1 : 31: «En God zag al wat Hy gemaakt had en ziet het was zeer goed. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de* zesde dag," - met scheppen heeft opgehouden kan hier niet gelden. Want al schept de Heere God geen nieuwe soorten, Hij schept daarom wel nieuwe individuen in de soorten. Hier gaat het werk der schepping over in dat der onderhouding.

Wat verder de vraag naar de herediteit of erfelijkheid betreft, het overerven niet alleen van lichamelijke, maar ook van ziele-eigenaa digheden van de ouders op de kinderen - iets wa^r V°0rf.^f traducianisme zijn steun in zoekt, - wij zullen weldra zien, hoe juist het creatianisme dit feit minstens even goed vermag teyerklaren

En eindelijk zij nog vermeld, dat het feit van de erfzonde — waarover echter eerst gehandeld kan worden in een volgend deel, waarin wy 's Heeren ordinantiën voor de zedelijke wereld hopen te bespreken, veel beter, met name wat het karakter der zonde betreft, door het creatianisme, dan door het traducianisme wordt verklaard.

Hebben wij reeds vroeger, uit wat de Schrift ons in Genesis 2 : 7 openbaart omtrent het ontstaan van de ziel van den eereten mensch, in verband met het: „Want wij zijn ook Zijn geslacht van Hand 17 2 8, gevonden, dat zij is een onstoffelijk, „eenvoudig en onsterfelijk wezen — waarbij het „eenvoudig" ziet op een bestaan niet uit deele , niet uit „atomen" of niet verder te scheiden deeltjes — bij wat wij thans, tot nadere kenschetsing van haar wezen, in dit en:het^gende hoofdstuk willen afleiden uit haar ontstaan bij de voortplanting van ons geslacht, m. a. w. hoe thans, nadat de schepping vo 001 is, telkens weer een ziel ontstaat, gaan wij uit als van twee gegevens. van het creatianisme, d. w. z. dat God telkens weer een pel schept, e:n van het ervaringsfeit van de levende, „bevruchte ei-cel , waaruit het

lichaam ontstaat. . . , H

Wij zullen thans eerst deze twee gegevens ieder voor zich naüer

bezien, om ze daarna voor ons denken in onderling verband te zetten,

en eindelijk na te gaan, wat voor de verdere kenschetsmg van het wezen der menschelijke ziel, m. a. w. wat zij is, daaruit valt af te leiden.

Aan het einde van dit onderzoek zal blijken, dat ook waar me rekening houdt met ontdekking der natuurwetenschap m betrekking tot de wording van het kind in den moederschoot niets te kort wordt gedaan aan het woord van Elihu uit Job 33 : 4- „De Geest Gods heeft mij gemaakt, en de adem des Almachtigen heeft mij levend gemaakt een woord, waarmee Elihu niet anders bedoelt dan: „Ik ben slechts een mensch," maar waarin tevens aan ons nadenken over de laatste oorzaken van 'n mensch het antwoord wordt geboden.

Sluiten