Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij mogen dus veilig spreken van een, tot op zekere hoogte althans, zelfstandig werken van het lichaam, ook als het nog onbezield is. Tenzij, wat het creatianisme niet doet, men het ingeschapen worden van dé ziel laat samenvallen met de ontvangenis.

Is er dus reeds na een ontwikkelingsperiode van ongeveer drie maanden in het levende lichaam van het foetus, tot op zekere hoogte, een, van het samenleven met de moeder te onderscheiden zelfstandige werking, deze werking is tevens, wijl de ziel nog niet ingeschapen is, van deze dus \onafhankelijk; zij heeft blijkbaar de werking der ziel niet noodig. In het foetale leven grijpen levensverrichtingen, zoowel vegetatieve als animale, plaats, waarvan de ziel dan nog niet de grond, het beginsel kan zijn.

Waar nu levensverrichtingen plaats grijpen, moet een beginsel aanwezig zijn waaruit dit opkomt. Werkingen onderstellen een kracht, een zelfstandige kracht, die werkt. Nu kan men, gelijk velen in onzen tijd, wel spreken van werking, zonder te willen weten van een kracht, maar men vergt dan iets onmogelijks van zijn denkvermogen. Evenzoo kan men zich een kracht weer niet anders denken dan verbonden aan iets. En zoo eischt dan ons denken, al de eigen levensverrichtingen van het embryo zich voor te stellen als verbonden aan zijn lichaam en opkomend uit een eigen „beginsel", dat er in werkt, wat echter nog niet is 'n „menschelijke ziel". Hieruit volgt, dat het nog onbezielde maar levende lichaam in den moederschoot zekere zelfstandigheid toekomt, allereerst en tot op zekere hoogte tegenover de moeder, en in de tweede plaats tegenover de eerst later ingeschapen ziel. Nu liggen zeker in het begrip zelfstandigheid of, zooals het oorspronkelijk woord luidt, waar het onze de vertaling van is, substantie, allerlei tegenstrijdigheden. Zegt men, om iets te noemen, dat zelfstandigheid iets is wat voor zijn bestaan, of voor zijn werking, niets anders behoeft, men komt dan al dadelijk in 'n groote moeilijkheid. Immers niets ter wereld bestaat of werkt ook maar een oogenblik zonder God. Toch kunnen wij dit begrip voor ons denken niet missen, ja, meer — doch hierover later, in een ander verband, — het is een der vormen van ons denken.

Zooveel is duidelijk, dat, waar men rekening houdt èn met het ontstaan van het menschelijk lichaam uit de levende bevruchte ei-cel en ook met de ontwikkeling van het embryo, èn daarbij stelt, dat de ziel later ck>or God wordt ingeschapen, men aan het lichaam een zekere zelfstandigheid moet toekennen, het moet beschouwen als een substantie.

Komen wij nu in de tweede plaats tot wat het creatianisme stelt omtrent het ontstaan der ziel.

Volgt uit wat de Schrift ons openbaart omtrent het ontstaan der ziel bij den eersten mensch, Adam, dat zij is een onstoffelijk, eenvoudig, onsterfelijk wezen, en stelt het creatianisme, dat zij telkens, wanner een kind geboren wordt, in het reeds levende en, tot op

Sluiten