Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontkennen, dat bij het denken de hersenen werken, dus het lichaam, als dat de ziel werkt bij wat lever en nieren verrichten, en dat men dus zoowel het eerste evenmin „slechts" 'n verrichting van de ziel, als het laatste „slechts" verrichtingen van het lichaam kan noemen, — houden, op grond van wat de Schrift ons omtrent het wezen van lichaam en ziel openbaart, dat in al deze verrichtingen wel lichaam en ziel saamwerken, maar dat de diepste creatuurlijke grond ook van al deze actie de ziel is, al werkt zij ook anders in lever en nieren, dan in de hersenen.

Met opzet schreven wij hier telkens: „de diepste creatuurlijke grond."

Er is toch nog een diepere dan deze.

Want de diepste grond van het leven en de levensverrichtingen van de creatuur, van het schepsel, en dus ook van den mensch, ligt niet in het schepsel, maar in God.

In Zijn eeuwige en alomtegenwoordige kracht.

Zóó bezien, is de ziel maar „tweede oorzaak", causa secunda. En eerst als ge opklimt met uw denken tot God, vindt gij den diepsten Grond of de laatste Oorzaak.

„Want in Hem leven wij, en bewegen ons, en zijn wij." (Handelingen 17 : 28.)

Om nu tot een volledige kenschetsing, voor zoover dat althans ons, menschen, mogelijk is, van het wezen der ziel te komen, moet thans nog" gewezen op dien eigenaardigen toestand der ziel, waarin zij zeker voor een deel ook vegetatieve en animale levensverrichtingen, maar waarin zij vooral, zij het ook weer ten deele, de specifiek menschelijke levensverrichtingen, b.v. denken en willen, volbrengt.

Wij bedoelen den toestand van bewustzijn.

Bezien wij eerst het woord „bewustzijn" wat nader. Het is'n samengesteld woord: bewust-zijn. Bij een steen, een mineraal, 'n plant spreekt men van zijn, maar niet van bewust-zijn. Een steen, een mineraal, n plant hebben er geen weet van, dat zij zijn; geen weet van wat in hun wezen omgaat. En toch gaat er in die wezens — men denke slechts aan de beweging der atomen, aan het aanschieten der kristallen, aan de voeding en de voortplanting bij 'n plant — wel degelijk iets om. Dat „er weet van hebben" ligt dan ook in het woord bewust-zijn. Vandaar dan ook, dat men het sedert Leibnitz en op zijn voorgang aanduidde met het Fransche conscience, ons veel oudere woord, dat wij voor „geweten" gebruiken, en dat wij nog over hebben in „conscientie".

Over den samenhang van „geweten" en „bewustzijn" kan hier nog niet gehandeld. Thans is het er ons slechts om te doen, aan te wijzen, hoe in het woord „bewust"-zijn de gedachte van „weten" zit; hoe de de taal zelf dit aanduidt, zoowel in be-wust, als in con-science, conscientie, en hoe tevens door die voorvoegsels „be"- en „con" een versterkt weten, een zeker weten wordt uitgedrukt.

Sluiten