Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Letten wij verder op het gebruik van het woord „bewustzijn".

Allereerst dient dan gewezen op den zeer ruimen zin, die in het gewone spraakgebruik vaak aan het woord bewustzijn wordt gegeven, wanneer men er alle kennen onder verstaat. Men spreekt van „te handelen in het bewustzijn van zijn gewichtige taak", en bedoelt dan, dat men zijn taak als een gewichtige kent. Of ook, men zegt: „zich van niets bewust te zijn", en bedoelt dan, vrij te zijn van schuldgevoel.

In de tweede plaats wordt bewustzijn gebruikt, wanneer wij willen aanduiden een meer bepaalde kennis, en wel die, welke 'n mensch heeft van wat in zijn wezen omgaat, van zijn eigen werkingen en aandoeningen, zijn acties en affecten. In dien zin spreken wij ook van bewustzijn bij de dieren, althans bij de hoogere.

Dit bedoelen wij ook, wanneer wij zoowel bij het dier als bij den mensch spreken van „zijn bewustzijn verliezen", of ook van „weer tot bewustzijn komen".

En eindelijk spreken wij nog van bewustzijn, wanneer een wezen niet alleen kennis heeft van zijn eigen werkingen en aandoeningen, maar ook zich zelf als het subject daarvan kent; wanneer wij ons zelf, ons ik als zoodanig kennen. In dezen zin spreken wij echter gewoonlijk van zelfbewustzijn, en schrijven dit toe aan den mensch.

Spreken wij thans van bewustzijn als een toestand der ziel. Wij nemen het woord dan niet in den eersten onbepaalden, maar in den meer bepaalden tweeden zin.

Noemden wij zoo straks het bewustzijn een toestand der ziel, wij bedoelen daarmee, dat bewustzijn en ziel wèl te onderscheiden zijn Wanneer de ziel kennis heeft van wat zij werkt en ondergaat in haar acties en affecten, dan is zij bewust. Wanneer zij die kennis mist, zooals in den diepen slaap of bij het „in onmacht vallen", dan is zij onbewust.

Men kan dus zeggen, dat het bewustzijn een toestand der ziel is, die zeker tot haar wèhvezen, tot de volkomenheid van haar wezen behoort, maar niet haar wezen zelf is.

Denken wij ons de zaak nog dieper in, dan doet zich de vraag op, hoe de ziel tot dezen toestand komt. Meent men hierop te moeten antwoorden: slechts door inwerkingen van buiten, bepaaldelijk door middel van de zintuigen, dan zal men bij eenig nadenken moeten toegeven, dat dit geen voldoend antwoord is. Het is er toch mee als wanneer men op de vraag: hoe komt het oog tot zien, hoe wordt het een ziend oog? zou antwoorden: slechts door de inwerking van het licht op de oogzenuwen. Daarmee is toch allesbehalve verklaard, hoe het oog ziet. Op de vraag, hoe de ziel tot kennis komt van wat zij werkt en ondergaat, kan dan ook alleen geantwoord: door een functie^ een verrichting van de ziel zelf, al blijven „inwerkingen van buiten daarbij ook niet uitgesloten. En deze functie, die niet nader te verklaren is, kunnen we daarom dan ook haar grondfunctie noemen.

Is het bewustzijn een toestand der ziel, waarin zij zich zelf brengt,

Sluiten