Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dus „tweede oorzaak", aan ten grond ligt, wij kunnen de ziel daarom ook noemen het subject van het leven.

Hetzelfde kan evenwel ook gezegd van de ziel in betrekking tot het dier. Ook de ziel van het dier is de grond van zijn levensverschijnselen, het subject van zijn leven.

Bij de „ophouding", de „desitio" van zijn ziel, houdt echter het dier

op te leven. . ,

Maar, en hierin ligt nu mee het verschil tusschen de ziel van het dier en die des menschen, de dierenziel is uit de aarde, en de menschenziel is onmiddellijk uit God. Het menschelijk leven is daarom andersoortig dan het dierlijk leven. Het eerste is niet een evolutie, een ontwikkeling van het laatste, maar een eigen schepping Lrods, een eigen gedachte, die bij de schepping naar buiten treedt.

In dat menschelijk leven werkt een eigen beginsel, en dat beginsel, dat onmiddellijk uit God is, noemen wij geest. In dezen zin lieejt de ziel, die geest is, ook geest. In het kort uitgedrukt dus, is de ziel het subject, de grond des menschelijken levens, en de geest het in dat

subject werkende beginsel.

Maar juist daarom zijn ziel en geest dan ook niet twee wezenlijk verschillende bestanddeelen, maar vormen zij een niet te scheiden eenheid. In de menschelijke ziel, als de grond, als het subject derlevensverschijnselen, is en werkt geest, en hierin bestaat dan ook het specifiek, het soortelijk verschil tusschen de ziel des menschen en de ziel van het dier. Dit ligt in wat de Schrift ons openbaart omtrent de schepping van de dieren, in tegenstelling met die van den mensch. Bij de schepping der dieren toch heet het: „De aarde brenge levende zielen voort" (Gen. 1 : 24); bij die van den mensch wordt ons daarentegen verhaald, hoe de Heere God in het, reeds uit het stotder aar e geformeerde menschenlichaam had ingeblazen den adem des levens (Gen. 2 : 7). En deze adem des levens, die uit God is, vormt een blijvend bestanddeel van des menschen wezen.

Wil men tusschen ziel en geest bij den mensch nader onderscheiden, men lette dan vooral op twee uitdrukkingen der Schrift m betrekking tot ziel en geest, waardoor tevens de bovengenoemde onderschei ing van ziel als subject en geest als beginsel des menschelijken levens, verduidelijkt wordt. 0 ,.f.

De eerste uitdrukking, die wij bedoelen, is die, waar de tschntt zoowel van de ziel des menschen als van die der dieren spreekt van „levende ziel"; zoo b. v.: Gen. 1 : 24: „De aarde brenge levende zielen voort" ; Gen. 2:7: „alzoo werd de mensch tot eene levende ziel.

, Verder in Gen. 9:10, waar God zegt Zijn verbond op te richten met Noach en zijn zaad. en met alle levende ziel, die met hem is van het g-evogelte, van het vee, en van alle gedierte der aarde met hem. Zoo ook'in vs. 16, waar sprake is van den boog m de wolken, waarbij God zal gedenken aan Zijn eeuwig verbond tusschen Hem en alle levende ziel, van alle vleesch, dat op de aarde is.

Sluiten