Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat er een verband is tusschen lichaam en ziel, is een feit.

Wanneer het lichaam gezond is, voelt ook de ziel zich gezond, terwijl krankheid van het lichaam ook ons zieleleven drukt. Ziekte of beleediging van de hersenen kan gepaard gaan met idiotisme, krankzinnigheid en zelfs met den dood; en zoo ook hebben oververzadiging en honger, gaan of liggen, invloed op onze zielestemming. De veranderingen eindelijk, die in de verschillende levensperioden, in de kindsheid, jeugd, volwassen leeftijd en ouderdom met het lichaam plaats grijpen, gaan gewoonlijk ook gepaard met verschillende zielstoestanden. „Toen ik een kind was," zegt de apostel Paulus, „sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind, overleide ik als een kind; maar wanneer ik een man geworden ben, zoo heb ik te niet gedaan hetgeen eens kinds was." (i Corinthe 13 : 11.)

Maar ook ons lichaam is afhankelijk van onze ziel. In de oogen ligt het hart, zegt men, en bedoelt dan, hoe in de oogen zich de gemoedsbewegingen van smart en vreugde, van begeerte en verlangen, van moed en toorn en geestdrift afspiegelen. Zoo ook wijzigt zich onze stem naar onze stemmingen; is zij nu eens krachtig en vol, dan week en zacht. Tenzij iemand zijn zieletoestand opzettelijk voor ons tracht te verbergen, kunnen wij dien toestand vooral uit zijne stem gewaarworden. Ook uit onze houding en gebaren wordt onze zielstoestand openbaar. De toornige b. v. balt de vuisten, stampt met de voeten, knerst met de tanden, snuift met den neus, wordt afwisselend bleek en rood. Vreugde en smart gaan evenzoo met bepaalde toestanden van het lichaam gepaard. Als de ziel vreugde geniet, is onze blik helder, ons voorhoofd glad, onze houding^ vlug, de gang licht, de hartslag krachtig, en de mensch zingt en fluit, huppelt en juicht. Maar ook vertoont zich in het lichaam de droefheid der ziel.

Voor dit laatste hebben wij in de Schrift een treffend voorbeeld in wat Paulus ons van zich zelf verhaalt in den tweeden brief aan

Corinthe. . f ™ .

Toen de heilige apostel toch in het jaar 57 van uit Jiteze, in IvleinAzië, zijn brief aan de gemeente van Corinthe, dien wij nog als „den eersten Corinthe-brief" in onzen Bijbel hebben, had geschreven, was hij in groote onzekerheid omtrent den indruk,^ dien zijn schrijven op de gemoederen in Corinthe zou maken. Het ging hem als een vader, die tot zijn afwezigen zoon een ernstig, een scherp, een liefdevol, maar toch ook bestraffend schrijven heeft gericht, en nu in de onzekerheid verkeert, of het zijn kind tot verbetering dan wel tot verharding zal brengen. Om nu aan zijn bange onzekerheid een einde te maken, zond Paulus zijn trouwen medehelper litus naar Corinthe. Doch ook Titus keert maar niet terug. De apostel reist hem nu te gemoet en komt dan eerst in Troas, diezelfde havenstad in Klein-Azië, waar hij vroeger in een nachtgezicht den Macedonischen man had geschouwd, die hem bad en zeide: „Kom over in Macedonië en help ons!

Maar ook in Troas vindt hij Titus niet, en hoewel hem „eene deur geopend was in den Heere", hoewel er een belangstellend gehoor en een goede gelegenheid was om er het Evangelie van Christus te prediken, de apostel kon er ditmaal zijn werk niet doen. Hij motst

Sluiten