Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afscheid nemen van de broeders in Troas, en naar Macedonië reizen om, zoo mogelijk, Titus te vinden. „Als ik," zoo toch lezen wij in 2 Corinthe 2:12, „te Troas kwam, zoo heb ik geene rust gehad voor mijnen geest."

Het oorspronkelijke woord, dat hier in onzen Bijbel met rust is overgezet, beteekent letterlijk ontspanning. Dat Paulus daar in Troas geen ontspanning voor zijn geest had, wil dus zeggen, dat zijn geest, het beginsel van zijn zieleleven, zijn denken en willen ingenomen was door, gericht op één zaak: het vinden van Titus. Daarmee was hij steeds bezig, dat spande voortdurend zijn geest, en wel zóó, dat hij schier aan niet anders denken kon. En wijl die geestesspanning zoo lang aanhield, zijn begeerte maar niet vervuld werd, en, zooals de Spreukendichter zoo diep zielkundig zegt: „de uitgestelde hoop het hart krenkt" (Spr. 13 : 12), zoo werd ook heel zijn gemoedsleven er smartelijk door aangedaan.

Paulus trok dan van Troas naar Macedonië; maar ook daar vindt hij Titus aanvankelijk niet. En nu verhaalt hij ons in 2 Corinthe 7 : 5, hoe zijn droeve zielestemming zich ook in zijn lichaam ging openbaren. Want, zoo schrijft hij, „ook als wij in Macedonië gekomen waren, zoo heeft ons vleesch geene rust gehad, maar wij waren in alles verdrukt: van buiten was strijd, van binnen vrees."

In Troas „geene rust voor mijnen geest"; in Macedonië: „zoo heeft ons vleesch geene rust gehad." Ook hier staat in het oorspronkelijke voor het woord, dat door de onzen met „rust" is overgezet, „ontspanning". De bedoeling van den apostel is, dat de geestesspanning, waarin hij reeds te Troas verkeerde, ook in Macedonië aanhield. Ja, dat de onrust van zijn gemoed, het „van binnen vrees", door den strijd dien hij daar bovendien met allerlei tegenstanders had te voeren, terugwerkte op zijn vleesch. Wij zouden, in de taal van onzen tijd, zeggen: op zijn zenuwen en zijn uiterlijk. Het was Paulus daar in Macedonië aan te zien, dat hij smart had. En dat heeft geduurd, totdat Titus eindelijk kwam. „De begeerte, die geschiedt, is zoet voor de ziel," zegt de Spreukendichter (Spr. 13 : 19). Wij kunnen hier niet verder op ingaan. Ook niet op het zoo troostrijke woord, dat dan volgt en waarover, indien men op dit verband let, zulk een eigenaardig licht valt: „Doch God, die de nederigen vertroost, heeft ons getroost door de komst van Titus." (2 Cor. 7 : 6.) Waar het ons hier alleen om te doen was, is aan te wijzen in het voorbeeld van Paulus, hoe ook de Schrift, met fijne psychologische onderscheiding, op het verband tusschen den toestand van de ziel en dien van het lichaam wijst.

Is dit verband zelf een feit, m. a. w. weten wij al, dat het zoo is, — het te verklaren of, met andere woorden, aan te wijzen hoe het tot stand komt, is tot dusver niet gelukt.

Wel ontbreekt het niet aan verschillende theorieën, die hieromtrent in den loop der eeuwen door de denkers zijn ten beste gegeven, doch aan deze theorieën zijn weer niet geringe bezwaren verbonden.

Sluiten