Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nog ongeboren kind aanvankelijk slechts een vegetatief leven leeft, d. w. z. zulk een, dat ook de planten leven; dat het daarna, op een hooger trap van ontwikkeling, tot een animaal of dierlijk leven komt, en dat eindelijk bij genoegzame ontwikkeling „van buiten af wordt ingezonden", door God wordt ingeschapen, de redelijke menschenziel. Wij gaven daarbij tevens de gronden aan, waarop het ons beter voorkomt hier van een „verhoogd", en een „opgeheven worden" van het vegetatieve en animale levensbeginsel tot 'n menschelijke ziel, dan van een „te niet maken" en „verderven" van het lagere door het hoogere, te spreken.

Hieruit volgde dan eindelijk, voor de nadere kenschetsing van het wezen der ziel, dat zij de grond is van de levensverschijnselen.

Ons onderzoek naar het wezen der ziel bracht ons dus tot deze bepaling, dat zij is een onstoffelijk, eenvoudig, onsterfelijk wezen, door God geschapen, aangelegd op een menschelijk lichaam en met dit lichaam vereenigd, de grond van de levensverschijnselen; van de vegetatieve, zooals voeding en voortplanting, en van de animale, zooals gewaarwording en beweging, evenzeer als van de specifiekmenschelijke, zooals denken en willen.

Na dus een antwoord te hebben gevonden op de vraag naar het wezen der menschelijke ziel, hebben wij uiteengezet het verschil tusschen ziel en „bewustzijn" ; het laatste daarbij doen kennen deels als een toestand der ziel, die wel tot de volkomenheid van haar wezen behoort, maar niet haar wezen zelf is, deels als een „grondfunctie", d. w. z. een niet nader te verklaren verrichting der ziel, waardoor zij zich zelf tot een weten van haar werkingen en aandoeningen brengt. Daarbij is toen tevens gewezen op de groote beteekenis van het „onbewuste", en op het verschil tusschen het bewustzijn en den „inhoud van het bewustzijn".

Ten slotte werden bij dit onderzoek naar het wezen der menschelijke ziel nog twee vragen besproken, en wel allereerst die naar „de verhouding van ziel en geest" en daarna die naar den „zetel der ziel".

Wat de eerste betreft, zagen wij, dat zij ging over de quaestie, of de mensch bestaat uit lichaam, ziel en geest, dan wel uit lichaam en ziel; alzoo uit drie, dan wel uit twee „zelfstandigheden". Wij toonden toen breedvoerig aan, dat en waarom hier niet het eerste, maar het laatste antwoord moet gegeven, m. a. w. dat de mensch bestaat uit lichaam en ziel. En verder, dat men zich dan de verhouding zoo moet denken, dat de ziel de grond, het subject des menschelijken levens is, en de geest het in dat subject werkende beginsel. De „levendmakende geest" dus het beginsel van de levende ziel.

Wat de tweede vraag betreft, die naar den „zetel der ziel" in het lichaam, m. a. w. waar de ziel in het lichaam zit, moesten wij ons, na de verschillende theorieën, daaromtrent gegeven, te hebben besproken, van een stellig antwoord onthouden.

Sluiten