Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als in de lichaamsholten, waar zij in verbinding- staan met de verschillende organen, zooals hart en longen. Zij eindigen in het ruggemerg, en staan daardoor in verband met de hersenen.

In ons lichaam zelf is voortdurende verandering, ten gevolge van ademhaling, bloedsomloop, voeding en afscheiding; een werking van de verschillende organen, een voortdurende wisseling van stof. Het zijn de zooeven genoemde gevoelszenuwen, waardoor de ziel van dit alles in meerdere of mindere mate tot bewustzijn, tot gewaarwording komt.

Als geheel is het de gewaarwording van het leven, doch niet alleen dat, maar ook hoe wij leven, of wij gezond dan wel ziek zijn. De gewaarwording dat onze spieren zich spannen, en dat zij moede worden; dat ons hart klopt; dat onze maag verzadigd is of hongert, onze keel droog is en ons dorst

Alle gewaarwordingen nu, die dus uitsluiten^ door toestanden in ons eigen lichaam teweeggebracht worden, vat men saam, of beter uitgedrukt, schrijft men toe, aan wat men dan noemt den „levenszin", of vitaal-zin — van vita, leven, — of ook wel den „algemeenen gevoelsziti".

In het dagelijksch leven spreekt men ook van zich wel of onwel, zich gezond of ziek voelen. Men bedoelt dan eigenlijk de gewaarwording van het levensproces als normaal of gestoord, en het daarmee gepaarde levensgevoel van aangenaam of onaangenaam, van levenslust of ziekelijke onbehaaglijkheid.

Gebruikt men de uitdrukking „algemeene gevoelszin" of ook wel „algemeene zin", men verwarre haar dan niet met een gelijkluidende uitdrukking, die reeds bij Aristoteles voorkomt en, aan hem ontleend, bij de latere wijsgeeren als „sensis communis" — „gemeen- of algemeen gevoel", „algemeene" of „gemeenzin" — voorkomt. Deze, aan Aristoteles' zielkunde ontleende „sensus communis" toch is gansch iets anders dan de gewaarwording van het zinnelijk, het lichamelijk leven.

Men verstaat onder dien „sensus communis" iets, dat het midden houdt tusschen gewaarwordingsvermogen en verstand. Een soort „inwendige zin", tegenover de vijf uitwendige zinnen.

Wij komen hier later op terug, om ons thans verder bezig te houden met den „algemeenen zin" in de beteekenis van vitaal- of levenszin.

Wanneer het levensproces ongestoord zijn gang gaat, voelen wij ons gezond; na de stoornis, genezen.

Zoo lezen wij in het Evangelie van de vrouw, die twaalf jaren krank was geweest, en veel geleden had van vele medicijnmeesters, en al het hare daaraan te koste gelegd en geen baat gevonden had, maar met welke het veeleer erger geworden was, dat zij, na Jezus' kleed te hebben aangeraakt, „gevoelde aan haar lichaam, dat zij van die kwaal genezen was" (Markus 5 : 29).

Hier hebben wij te doen met een lichaamsgewaarwording, met een

Sluiten