Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op zijn beurt weer over op de drie „gehoorbeentjes", die achter het trommelvlies liggen, en bekend zijn als de hamer, het aanbeeld en de stijgbeugel, wijl zij min of meer aan den vorm van deze voorwerpen doen denken.

Van deze drie beentjes, die in de trommelholte liggen, staat het laatste, door middel van het ovale vetister, in verband met het z.g. labyrint of het meest inwendige gedeelte van het oor.

Het „ovale venster" is een eivormige opening, met een membraan of dun "vlies, waarmee het onderste gedeelte van den stijgbeugel is

saamgegroeid. . .. , ,

Wanneer nu de, zelf in trillende beweging gebrachte, stijgbeugel als het ware tegen het ovale venster klopt, worden de trillingen overgebracht in het labyrint. , , . ,

Het labyrint of het doolhof bestaat zelf weer uit het voorhof, het slakkenhuis en de drie halfcirkelvormige kanalen. Van deze drie deelen is vooral van beteekenis voor het ontstaan der gehoorgewaarwording het slakkenhuis. Het heeft gemeenschap met de trommelholte door een ronde opening, het „ronde venster". Het labyrint is gevuld met een vocht, het „labyrintwater", dat ten gevolge van de trillingen van den stijgbeugel in een golvende beweging geraakt, die ten slotte als prikkel werkt op de uiteinden der zich in het labyrint vertakkende gehoorzenuw, welke in de hersenen in het „gehoorcentrum" eindigt.

Noemden wij zooeven het „slakkenhuis" het belangrijkste van de drie deelen van het labyrint ten opzichte van het ontstaan der gehoorgewaarwording, het is vooral, omdat zich daarin bevindt de voornaamste vertakking der gehoorzenuw. Deze vertakking heeft weer duizenden eindvezeltjes van verschillende lengte, die, zooals wij straks zullen zien, bij de gehoorgewaarwording een groote rol spelen en, naar den ontdekker daarvan, het „Cortische orgaan" wordt genoemd.

Men ziet hieruit, dat hierboven niet te veel is gezegd omtrent het kunstig werk, dat God doet ontstaan, indien Hij in een menschelijk lichaam „het oor plant", zooals de Psalmist zegt.

Veel minder dan, zooals wij straks zullen zien, het oog, staat echter het oor onder den invloed van onzen wil. Wij kunnen het oor niet draaien of richten, slechts op de spanning van het trommelvlies schijnt de wil eenigen invloed te kunnen oefenen, zoodat ons hooren dan tot luisteren wordt. Naar bekend is, worden al te sterke geluiden getemperd door het openen van den mond. De bovengenoemde trommelholte toch, die achter het trommelvlies ligt, mondt uit door een buis in de neusholte. Opent men nu bij zeer sterke geluidstrillingen den mond, dan werkt de lucht ook op de inwendige oppervlakte van het trommelvlies.

Wat nu onze gehoorzenuwen prikkelt, is het geluid. Het gaat uit van een „geluidsbron", d. w. z. van de beweging der deeltjes, van een

Sluiten