Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onzer medemenschen, zij brengt ons ook kennis aan van de natuur om ons heen, van haar verhevenheid en haar schoonheid in het rommelen van den donder, het bruisen der zee, het ruischen van het woud, het gezang der vogels.

Ten slotte zij hier nog herinnerd aan de groote beteekenis van de gehoorgewaarwording in betrekking tot de muziek.

De elementen der muziek, toon en klank, melodie, harmonie en rhythmus, laten zich tot een onuitputtelijke verscheidenheid vervormen. In de muziek vinden de vele en velerlei aandoeningen van den mensch hare uitdrukkingen. Daarom werkt ook de muziek op het gemoedsleven van den. mensch. Zij vertolkt, maar wekt ook de menschelijke aandoeningen.

Ten goede of ten kwade.

Daar is een muziek die het zinnelijk leven prikkelt, maar ook eene, die uiting geeft aan de reinste, de hoogste gemoedsaandoeningen; men denke aan de muziek bij Israëls eeredienst. En zoo is er ook een muziek, waarbij de gehoor gewaarwording de kranke ziel geneest. „Het geschiedde," zoo lezen wij in de Schrift, „als de geest Gods over Saul was, zoo nam David de harp, e"n hij speelde met zijne hand; dat was voor Saul eene verademing, en het werd beter met hem, en de booze geest week van hem." (1 Samuel 16 : 23.)

Wij komen thans tot de vaste ordeningen voor de gezichtsgewaarwording. Het zintuig hiervoor is het oog, een, zij het ook minder samengesteld, maar daarom toch niet minder kunstig orgaan dan het oor.

Om een denkbeeld te geven, hoe het „zien" toegaat, zullen wij hier een korte beschrijving laten voorafgaan van de inrichting van het oog; een inrichting, die ons niet anders dan met bewondering vervult voor God, die, zooals de Psalmist zegt, „het oog formeert".

Door zijn wenkbrauwen, leden en wimpers beschermd en door het tranenwater, dat de tranenklieren afscheiden, gereinigd, is de oogappel het eigenlijke oog.

Van buiten is het oog omsloten door het harde oogvlies, dat zich aan de voorzijde aan ons vertoont als het wit van het oog en door het meer bolle, geheel doorschijnende hoornvlies.

Achter dit doorschijnende hoornvlies nu bevindt zich een gekleurd huidje, dat het oog zijn kleur van blauw of bruin geeft. In het midden van dit huidje, de regetibooghuid of iris genaamd, is een ronde opening, de pupil of het „zwart" van het oog.

Heel achter in het oog, op de plaats waar de z.g. „blinde vlek' zich bevindt, dringt de gezichtszenuw in en breidt zich dan in het netvlies of de retina uit. Dit netvlies bestaat uit verschillende lagen, waarvan de belangrijkste die „der staafjes en kegels" is. Het zijn de fijne uiteinden der gezichtszenuw, tallooze microscopische lichaampjes, welke, omdat hun vorm aan staatjes en kegels doet denken, dus worden genoemd. Deze staafjes en kegels van het netvlies bezitten alleen de geschiktheid om door het licht geprikkeld te worden, welke

Sluiten