Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zelfkennis. Maar vandaar dan ook, dat de droom, wegens de eigenaardige dispositie van den geest waarvan hij — zij het ook gedeeltelijk — het gevolg is, door God, naar wij in de Schrift vinden, is gebruikt tot voertuig Zijner bijzondere openbaring.

Zulke droomen waren dan zeker geen bedrog.

Nu echter de bijzondere openbaring is afgesloten, heeft het Gode behaagd ons omtrent de toekomst, ook onze eigen toekomst, geenerlei meerdere openbaring te schenken. Ons voegt het leven te leven, blind in de uitkomst, maar ziende in het gebod. Toch zijn ook onze droomen geen bedrog, al zijn zij ook geen werkelijkheid. Niet zij, de verbeelde of omgevormde voorstellingen der werkelijkheid, bedriegen ons, maar wij bedriegen ons zelf, wanneer wij wat een onbeteugelde phantasie ons voorstelt, superstitieus of bijgeloovig voor werkelijkheid houden. Bovendien zijn onze droomen geen bedrog, maar onbedrieglijke kenteekenen van onze zieletoestanden.

Spraken wij zooeven van onbeteugelde phantasie bij den droom, dit wijst er op, dat er ook een verbeelding, een phantasie is, die beteugeld, in toom wordt gehouden. En dat juist moet de phantasie bij de bewuste ziel; in onzen wakenden toestand.

Het verstand — waarover in het volgend hoofdstuk — is de teugel, de toom onzer verbeeldingskracht. Zonder het verstand wordt de verbeelding „inbeelding".

Inbeelding in den zin van vooringenomenheid met zich zelf, waarbij men uit de voorstellingen, die men van zich zelf heeft, door weglating en bijvoeging zich een beeld van zijn eigen persoon vormt, dat met de werkelijkheid in strijd is.

Maar ook inbeelding in den zin van valsche voorstellingen, die de verbeelding zich vormt, wanneer zij niet meer door het verstand, maar bij voorbeeld door de vrees zich laat leiden. In dezen zin spreekt Mordechai tot Esther, wanneer zij bevreesd is om voor haar volk tot den koning te gaan : „Beeld u niet in in uwe ziel, dat gij zult ontkomen in het huis des konings, meer dan al de andere Joden." (Esther 4: 13.)

Bij de dichtende phantasie, niet slechts van den gewonen mensch, maar evenzeer van den dichter, is het dan ook juist het verstand, dat regel en maat en daarmee schoonheid geeft aan haar voorstellingen; niet maar een „ingebeelde", doch een uit deze aardsche, door de zonde verdorvene, rwbeelde en daarom hoogere werkelijkheid voorstelt.

Vooral wanneer dit verstand met Goddelijk licht is bestraald.

Zij er hier ten slotte nog op gewezen, dat ook onze verbeelding voorwerp van onze zedelijke beoordeeling moet zijn; m. a. w. voor ons eigen bewustzijn goed of slecht kan wezen. Slecht, wanneer öf de voorstellingen zelf, waarmee zij als haar stof arbeidt, öf de nieuwe, die zij daaruit vormt, het karakter van onreinheid, van onheiligheid

Sluiten