Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En zoo ook, indien ge eenmaal het heldere en klare begrip van n boom of 'n mensch, van gerechtigheid of van zonde hebt.^

Ge moet dus in uw denken sommige voorstellingen scheiden, andere verbinden, en de maatstaf waarnaar gij dus oordeelt, zijn uw begrippen.

Ge voelt, van hoeveel beteekenis het vormen van juiste begrippen is.

Ware er nu geen zonde in de wereld, en had de zonde niet^ tot op zekere hoogte ook ons denken bedorven, dan zou de mensch niet dan

juiste begrippen hebben. , . , , , , .

Maar ge voelt ook, van hoe groote beteekenis het denken dat ons begrippen doet vormen, voor ons kennen is. Juist dat „algemeene , dat „wezenlijke" toch zien wij niet met onze zinnelijke oogen, doch leeren wij alleen kennen door denken. Wij zien de afzonderlijke dingen, wij nemen waar paarden, boomen, menschen ; maar het paard, den boom, den mensch leeren wij alleen kennen door ons denken, door het vormen onzer begrippen. En voor zoover nu die begrippen juist zijn, dringen wij daarmee door uit onze zinnelijke wereld tot die bovenzinnelijke wereld van der dingen „wezenheden". _

In het begrip toch ligt het „wezen" van het ding; wat het is.

En wat het is, is het maar niet toevallig, doch naar Gods ordinantie.

Hij heeft het zóó bepaald, van eeuwigheid in Zijn Raad.

En die Raad gaat over alles: over wat de plant en wat het dier en wat de mensch is; zelfs ook over hetgeen de mensch maakt; ook

over het wezen van 'n glas.

Wanneer zoo eenmaal het oog is opengegaan voor de heerlijkheid, voor de wondere gave van het menschelijk denken, zal eerst het ware licht voor u vallen op dat „verstaan en doorzien van de onzienlijke dingen Gods uit de schepselen", in Romeinen 1 : 20.

Want het denken kan ons niet alleen doen kennen der dingen wezen, maar ook het onderling verband der dingen; ons de wereld doen verstaan. Het ware of juiste denken toch verbindt of scheidt in het oordeel, wat in de werkelijkheid verbonden of gescheiden is, en trekt uit die oordeelen besluiten.

Dit alles nu is „redeneeren" of discursief denken, en het vermogen daartoe is het verstand, dat zelf, het zij hier nog eenmaal herhaald, niet weer een afzonderlijk vermogen is, maar niets anders dan een eigenaardige werking van het ééne kenvermogen.

Is al zulk denken een oordeelen, en denkt de mensch zoodra hij oordeelt, d. w. z. in zijn voorstellingen het wezenlijke van het bijkomstige scheidt en dus begrippen vormt, deze dus gevormde begrippen weer verbindt of scheidt en dus oordeelt in enger zin, en eindelijk uit die oordeelen een besluit en dus een nieuw oordeel opmaakt, dit oordeelen is iets specifiek menschelijks.

De dieren zijn bloot zinnelijke wezens en oordeelen dus niet.

Dieren denken niet.

Sluiten