Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wel herkent de hond zijn meester; het paard zijn stalen zijn weg; „kent een os zijn bezitter en een ezel de krib zijns heeren", gelijk de Schrift zegt (Jes. 1:3); maar al wat wij daarbij vinden van overeenkomst met menschelijk denken, berust op bepaalde, door gewoonte of africhting ontstane verbinding van voorstellingen.

En ook de engelen, die bloot geestelijke wezens zijn, en dus niet uit zinnelijke gewaarwordingen waarnemingen en voorstellingen vormen, denken niet als wij, maar hunner is de intuïtie, de geestelijke aanschouwing.

En God de Heere zelf, die alles weet en alles verstaat, heeft uiteraard niet van noode, door een denken als het onze tot het verstand der dingen te komen. Reeds Plato, de grootste wijsgeer der Grieken, verstond dit, toen hij zeide: „Niemand van de goden philosopheert of begeert wijs te worden; want hij is het."

Maar ook de mensch, al heeft zijn ziel van meet af de „hebbelijkheid" om te denken, de „dadelijkheid" komt eerst later.

Het pasgeboren kind, en zelfs het kind nog in de allereerste levensjaren, denkt nog niet. Het verstand in den zin van denkvermogen ontwikkelt zich eerst later, en te recht wordt dan ook in ons doopsformulier gesproken van een „onderwijzen der kinderen in de Christelijke leer, als zij tot hun verstand zullen zijn gekomen".

Houden wij nu goed in het oog, dat wij bij het denken onze begrippen vormen uit onze voorstellingen, en dat de ziel, zooals vroeger in den breede is aangetoond, deze weer vormt uit zinnelijke aanschouwingen of verbinding van zinnelijke waarnemingen, die zij ten slotte weer vormde uit zinnelijke gewaarwordingen, — dan zal het ons duidelijk zijn, dat, zal er van denken sprake wezen, eerst zinnelijke gewaarwording en waarneming vooraf moeten gaan.

Denken is bewerking van denkstof, en de stof moet er eerst wezen, kan de bewerking beginnen. Het is er mee als met een molen, die het graan tot meel verwerkt. Eerst moet het graan in den molen gebracht, zal deze zijn werk kunnen aanvangen. Zoo zijn onze voorstellingen de denkstof die, gaat men haar wording na, gelijk zoo straks bleek, haar beginsel of begin heeft in de gewaarwordingen; m. a. w. in wat de ziel uit de beweging der hersencellen, ten gevolge van de prikkeling der gevoelszenuwen, als gewaarwording vertolkt.

Eerst moet men dus, om het zoo eenvoudig mogelijk te zeggen, met zijn oogen hebben gezien, met zijn ooren hebben gehoord enz., zal het denken kunnen aanvangen.

Daarom duurt het dan ook een tijd, zooals wij straks zagen, eer dat het kind begint te denken, zijn verstand gaat gebruiken; zijn aanleg om te kunnen denken ontwaakt.

En hoe de zinnelijke gewaarwording altijd aan het denken voorafgaat, ziet ge zelfs bij den paradijsmensch, die niet als kind, maar als volwassen mensch door God geschapen was. Van Adam toch lezen wij in Genesis 2:19, dat de Heere God de dieren tot hem bracht, om te zien

Sluiten