Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met „Woord", openbaart zich ook als dit „natuurlijk licht" in het

menschelijk kenvermogen. , T r.

Want van dat „Woord" spreekt dan ook de heilige apostel Johannes, als van „het licht, hetwelk verlicht een iegelijk mensch, komende in

de wereld" (Joh. 1:9). . , , ,

Zijn door den Logos, door het Woord, alle dingen gemaakt, omdat er logos is in den mensch, kon hij de wereld, en uit die wereld, door waarnemen en denken, ook zijn God leeren kennen.

Maar, en hier ligt nu het verschil tusschen ons en de Rationa-

listen, een woord gevormd van het Latijnsche woord „ratio , dat

„rede" beteekent — deze kennisse is thans maar een zwakke afschaduwing van wat ze eens was en in Gods kinderen weer zijn zal. En dat verschil bestaat hierin, dat de Rationalisten niet, maar wij wel

rekenen met de sonde.

Zeker, door de zonde is niet het wezen van den mensch, maar wei wat in dat wezen werkt, zijn natuur, verdorven. De mensch is gebleven een redelijk wezen, maar door de zonde is ook zijn verstand en in

dat verstand zijn rede verduisterd.

Daarom kan de zondige mensch God thans niet meer kennen zooals Hij door den mensch gekend kon worden; heeft zijn kennen van de wereld thans grenzen, die hij niet kan overschrijden; zijn de „redewaarheden", waaruit hij als laatste en hoogste oordeelen andere kan afleiden, zooveel minder rijk en tot een zeker aantal beperkt.

Hoe het hierin met den zondigen mensch staat, is niet beter te zeggen dan met de woorden van onze Dordtsche Canones: „Wel is waar, dat na den val in den mensch eenig licht der natuur nog overgebleven is, waardoor hij behoudt eenige kennise van God, van de natuurlijke dingen, van het onderscheid tusschen hetgeen eerlijk en oneerlijk is, en ook betoont eenige betrachting tot de deugd en uiterlijke tucht; maar zóó ver is het van daar, dat de mensch door dit licht der natuur zoude kunnen komen tot de zaligmakende kennisse van God en zich tot Hem bekeeren, dat hij ook in natuurlijke en burgerlijke zaken dit licht niet recht gebruikt; ja, veel meer hetzelve, hoedanig het ook zij, geheel op verscheidene wijze bezoedelt en in ongerechtigheid te onder houdt, hetwelk dewijl hij doet, zoo wordt hem alle onschuld voor God benomen. (Hoofdstuk III en IV, v, .)

Zoo is het. , ,

Maar juist daarom zal dan ook des te beter worden verstaan de groote genade, die God ons betoonde in het schenken van Zijn

bijzondere Openbaring.

Door haar toch wordt ons weer kenbaar, wat door de zonde voor ons onkenbaar was geworden; worden de gedachten Gods ingedragen in het menschelijk bewustzijn; ons verstand met Goddelijk licht bestraald; het verduisterd „natuurlijk licht" door „het licht der genade verhelderd, wanneer althans wederbarende genade de ziel van n mensch door het geloof aan die Openbaring bindt.

Sluiten