Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Te meer laat zich dit verstaan, waar, gelijk boven werd gezegd, hersenen en hart door de zenuwen, zij het dan ook niet onmiddellijk,

met elkaar in verbinding staan.

Is het al ondenkbaar, dat al wat de ziel uit de gewaarwordingen, als de elementen harer kennis, verder vormt, zooals b. v. haar voorstellingen, in het onbewuste terugzinkt, het strijdt ten eenen male niet tegen de ervaring, dat hare gewaarwordingen doorzinken of doordringen uit het bewustzijn in het onbewuste, uit het hoofd in het hart.

Wanneer een moeder ziet en dus gewaarwordt, dat haar kind door een nijdigen grooten hond wordt aangevallen, dan voelt ze, hoe haar hart trilt, heftig klopt. Wanneer, in het boek Job, Elihu Gods macht en wijsheid, die zich in de natuur openbaart, beschrijft, en daarbij spreekt van' den regen, de wolken en het onweder, dan zegt hij: „Ook beeft hierover mijn hart, en springt op uit zijne plaats." (Job

37 : 1.) Wij weten allen uit eigen ervaring, hoe de gewaarwording van

'n donderslag of 'n bliksemstraal kan doen beven en trillen ons hart.

Uit dit alles blijkt dus genoegzaam, hoe de gewaarwordingen met alleen beperkt blijven tot het hoofd, maar ook dringen tot het hart.

Stond nu dat hart niet door de zenuwen weer in verband met onze hersenen, dan zouden wij van dat trillen en beven des harten, dat zelfs tot hartépijn kan worden, uiteraard niets merken; evenmin als wij gewoonlijk iets merken van het stroomen van ons bloed door het hart.

Toch geschiedt dit, ook al merken wij het niet.

En zoo ook gebeurt er in dat hart veel meer.

En nu is het juist de Schrift, die ons een openbaring biedt van dat zoo rijke en geheimzinnige leven onzer ziel, dat gebonden is aan het hart. „Behoedt uw hart boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn de uitgangen des levens," zegt de dichter der Spreuken (h. 4 • -3)* Van het hart toch gaat het leven uit, het ééne, ongedeelde leven, en in dien zin kent dan ook de Schrift te recht veel hooger beteekenis toe aan het hart dan aan het hoofd.

En zij leert ons verder, en dit nu is de groote beteekenis van haar onderwijzing, dat wij denken en willen met ons hart, dat onze gewaarwordingen, die doordringen en doorzinken uit het hoofd naar het hart, straks ook weer opstijgen en opklimmen en opkomen uit het hart tot het hoofd. Onze gewaarwordingen, waaruit de ziel, als de elementen onzer kennis, zelf vormt hare waarnemingen, voorstellingen en gedachten. Het hart, of liever de ziel, voor zoover zij meer bijzonder gebonden is aan het hart, is de diepere ondergrond van ons leven ; en de ziel, voor zoover zij gebonden is aan de hersenen, slechts zijn oppervlakte.

En nu vat de Schrift, met al wat wij toeschrijven aan het hoofd toe te schrijven aan het hart, dat leven zooveel dieper op. Waar de gewaarwordingen de eerste elementen van onze gedachten zijn, en die gewaarwordingen doorzinken uit het hoofd naar het hart en opstijgen uit het hart naar het hoofd, is het juist zooveel dieper gezegd, dat wij denken met ons hart.

Van 's Heeren Ordinantiën. II. a6

Sluiten