Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vreugde in ons hart wekt. Inzonderheid geldt dit, waar God zelf ons de waarheid openbaart; maar ook op het gebied van waarnemen en denken is het de vreugde, die zich verbindt aan elke door ons gevonden waarheid. De ziel is dan bevredigd, terwijl omgekeerd zich juist aan den twijfel — het woord dat met „twee" samenhangt — een gevoel van onlust verbindt. Bij den twijfel toch is onze geest in onzeker-1 heid, of hij moet bevestigen dan wel ontkennen. Hij staat tusschen | die twee.

En ditzelfde natuurlijke waarheidsgevoel zal ons ook doen begeeren, doen streven om wat waar is, te zoeken, en wat valsch, wat leugen

is, te verafschuwen.

Het is Gods gemeene Gratie, die dit waarheidsgevoel ook in een zondige wereld in stand houdt.

En gelijk er een natuurlijk waarheidsgevoel is, zoo is er onder menschen ook een natuurlijk schoonheidsgevoel. Wij kunnen ons hier, waar het gaat om 's Heeren natuur-ordinantiën voor het menschelijk zieleleven, niet begeven op het gebied van de schoonheidsleer. Toch zij reeds hier opgemerkt, hoe ook voor de wereld van het schoone de Heere Zijn vaste ordeningen heeft gegeven, en dat, moge het: „over den smaak valt niet te twisten", al gelden van den smaak in lageren zin, van den smaak voor spijs en drank, van aangenaam en onaangenaam, dit zeer zeker niet geldt van den smaak in hoogeren zin; van het schoone, waaraan de mensch zijn welgevallen; van het ïeelijke, waaraan hij zijn mishagen geven moet. En dit welgevallen tegenover het schoone is iets zeer eigenaardigs.

Het is wèl te onderscheiden ook van het nuttige. Aan het nuttige hechten wij waarde, omdat het ons voor een of ander doel van dienst is. Zoo hecht een boer waarde aan zijn ploeg; een fabrikant aan zijn machinerieën; een geleerde aan zijn boeken. Maar het schoone waardeeren wij eenvoudig omdat het schoon is. De sterrenhemel, een landschap, een schilderstuk wekken ons schoonheidsgevoel, en het komt niet in ons op, te vragen naar hun nut. Bij de aanschouwing van het schoone is de ziel bevredigd en begeert niets. Zij geniet in de aanschouwing van de heerlijkheid Gods.

Wat in de derde plaats het zedelijkheidsgevoel betreft, hebben wij te doen met het gevoel van lust, dat zich paart aan de gewaarwording van het goede, of met dat van onlust, dat zich paart aan die van het slechte in ons zelf of in onze medemenschen.

Onze ziel is dus door God geschapen, dat wij niet slechts in onzen geest beseffen hebben van goed en slecht, maar dat ook ons hart voelt en weerklank geeft bij de gewaarwording van goed en slecht. Wanneer wij toch voor ons eigen bewustzijn tegenover onze medemenschen slecht hebben g'ehandeld, komt in ons op het gevoel van

Sluiten