Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitsluitend overweegt de middelen die hem tot zijn doel kunnen brengen, maar de mensch die wil, niet alleen de middelen, doch ook het doel overweegt.

Voor den eerste staat het doel onwrikbaar vast, het maakt geen punt van overweging meer uit. Of hij er al onheil mee sticht, zich zelf of zijn omgeving er ongelukkig mee maakt, vraagt hij zelfs niet. In dit opzicht is zijn verstand beneveld. Hij begeert slechts. Wat hij alleen vraagt, zich zelf vraagt en dus bij zich zelf overlegt, is, hoe hij met voor hem mogelijke middelen zijn doel bereiken zal.

Voor den ander daarentegen, voor den mensch die wil, paart zich aan de overweging, aan het overleg omtrent de middelen, een overleg, een overweging van het doel zelf. En dit eerste overleg gaat zelfs aan het tweede vooraf. Hij, die wil, overweegt toch altijd eerst of, wat hij wil, de moeite van het willen waard is, of wat hij wil goed is. Is hij daaromtrent tot een besluit gekomen, dan overlegt^ hij, door welke middelen het te bereiken is. De jonge man, die predikant wil worden, begeert dat, omdat hij het als goed kent.

Want hoe vreemd het ook moge klinken, de mensch wil nooit anders

dan een goed doel.

Toch is dit niet vreemd, wanneer men bedenkt, dat een mensch niet alleen het zedelijke, maar ook het nuttige en ook het aangename goed noemt, en dat bovendien de zondige mensch het wezenlijke, d. 1. het Gode welgevallige, en het schijnbaar goede vaak verwart.

En zoo blijkt dan, dat, zal het begeeren tot willen worden, noodig is, dat er zich aan pare kennis van de bereikbaarheid der mtddc h n èn van de goedheid van het doel.

Deze kennis, dit inzicht is een vrucht van ons kenvermogen, bepaaldelijk van ons verstand en onze rede; het paart zich wel aan de begeerte, maar is niet de begeerte zelf.

Kennen en begeeren, verstand en wil zijn dan ook niet, zooals \\ el eens is geleerd, hetzelfde, maar twee wijzen van zielewerking. En dit komt vooral ook hierin uit, datlUlJ dllii kuihilü VA.ii de goedheid van een doel, en bij alle inzicht in de bereikbaarheid van de middelen, een mensch nog niet wil, als er geen begeerte bij hem is.

Hij moet er lust toe hebben.

En dit brengt ons nu tot het laatste moment, wat voor het ontstaan van het willen noodig is, de beweegreden of het motief.

Motief, van het Latijnsche viovere, bewegen, isae „bewegende oorzaak", de causa motiva, van ons willen.

Nu is er bij-flT-t begeeren, wijl alle begeeren een, zooals wij gezien hebben, streven is, zeer zeker reeds beweging, zielsbeweging; doch in het vorige hoofdstuk hebben wij er reeds op gewezen, hoe juist het met het begeeren en streven zoo innig verbonden gevoel daar de grond van is. Wat ons doet streven, begeeren en willen, is ten slotte een gevoel van lust of onlust. Zulk een gevoel is de oorzaak der beweging, de bewegende oorzaak of het motief.

Sluiten