Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Naar buiten nu komt de uitvoering tot stand door een handeling, waaronder men, wijl de hand, zooals reeds Aristoteles opmerkte, het belangrijkste orgaan voor onze inwerking op de buitenwereld is, alle van ons willen afhankelijke lichaamsbewegingen verstaat. Wat van die handelingen het resultaat is, zijn onze daden; ontstaat er een gewrocht uit, dan spreken we van onze werken.

Zijn wij in de uitvoering van ons willen afhankelijk van allerlei omstandigheden, vaak eischt die uitvoering nog weer een afzonderlijk overleg. Een voorbeeld hiervan biedt ons de Schrift in Mattheüs i : 19.

Daar wordt ons verhaald van Jozef, den man van Maria. Het geheim der heilige ontvangenis was hèm onbekend. Hij, die een rechtvaardig man was, wil Maria niet behouden; maar hij wil ook haar niet te schande maken, haar ten toon stellen, door haar b.v. een scheidbrief te geven, en nu komt het er op aan, dezen zijn wil uit te voeren. Daarom vat hij het voornemen op, gaat met het plan om, haar heimelijk te verlaten, tot dan de engel des Heeren hem in den droom verschijnt en door zijn openbaring van het mysterie der heilige ontvangenis hem van zijn voornemen afbrengt.

Maar naast deze uitvoering van het gewilde naar buiten, is er ook een uitvoering, een richten van het willen naar binnen.

Onze wil toch vermag ook in onze eigen ziel veranderingen tot stand te brengen.

Den onbestuurden gedachtengang, het onwillekeurig zich verbinden onzer voorstellingen, den vrijen loop onzer verbeelding kunnen wij richting en stuur geven door middel van onzen wil.

Indien wij willen, kunnen wij onze gedachten vestigen op een bepaald punt. Wij kunnen ons bezinnen, d. w. z. ons willen herinneren.

En evenzoo kunnen wij onze begeerten beheerschen door onzen wil; ze niet willen bevredigen.

Eigenaardig bij deze tweeërlei werking van den wil is, dat zijn macht naar binnen minder groot is dan zijn macht naar buiten.

Het gebeurt toch vaak, dat wij onze opmerkzaamheid op iets willen richten, en het ons toch niet gelukt. Terwijl een handeling, die wij willen verrichten, b. v. het schrijven van een brief, het doen van een wandeling, als onze handen of voeten gezond zijn, ons veel eer gelukt.

Oud-Christelijke denkers drukten dit verschil dan ook zoo uit, dat de wil naar binnen evenzoo gebiedt „als de overheid haar burgers"; de wil naar buiten daarentegen „als een heer zijn slaaf".

Is het willen vrij, in den zin van „zielkundige vrijheid", met deze vrijheid hangt dan ook saam wat men „toerekening" noemt.

Sluiten